Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gras - (kruidachtig gewas op weiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gras zn. ‘kruidachtig gewas op weiden’
Onl. gers(a) ‘grasland’ in de plaatsnamen Comitis Fridgersa (Zuid-Holland, ligging onbekend) ‘van de graaf, omheind + grasland’ [1125-30; Künzel], Volengers (Walcheren, Zeeland, ligging onbekend) ‘veulen + grasland’ [1181-1210; Künzel]; mnl. gras, gars en gers: gras ‘gras’ [1240; Bern.], dat gers buten dike ‘het gras buiten de dijk’ [1260; CG I, 71], dat gars land ‘het grasland’ [1282; CG I, 658]; vnnl. gras, gars, ghers ‘gras’ [1599; Kil.].
Os. gras, mnd. gras, gres; ohd. gras (nhd. Gras); ofri. gers, gres (nfri. gers); oe. græs, gærs (ne. grass); on. gras; got. gras; alle ‘gras, kruid’; < pgm. *grasa-. Hiernaast nzw. gräs als collectiefvorming uit pgm. *grasja-. Daarnaast de werkwoorden grazen (zie onder) en verder: mnd. grāsen, ohd. grasōn (nhd. grasen); oe. grasian (ne. graze); nfri. gerskjen.
Alleen verwant met Latijn grāmen ‘gras’ < hrh1-s-mn, bij de nultrap van de wortel pie. hreh1- (IEW 440-454), zie ook → groeien en → groen. De a in de Germaanse wortel valt niet uit een nultrap hrh1-s(-o-m) te verklaren (men zou dan *gursan verwachten). Een sluitende Indo-Europese etymologie valt dus niet te geven, en mede gezien de beperkte geografische spreiding zijn zowel gras, groeien en groen wrsch. substraatwoorden.
Gras/gars heeft zich in het Zeeuws verder ontwikkeld tot → gors.
grazen ww. ‘gras eten’. Mnl. grasen ende weyden ‘grazen en weiden’ [1400-50; MNW], wiens beesten ghersende zyn ‘wiens beesten grazen’ [1486; MNW]; nnl. grasen [17e eeuw; WNT] Afleiding van het zn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gras* [gewas op weiden e.d.] {in de vroegere Zuid-Hollandse plaatsnaam Fridgersa <1125-1130>, gras 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, oudnoors, gotisch gras, oudfries gers, gres, oudengels gærs, græs; buiten het germ. latijn gramen, (< ∗grasmen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gras znw. o., mnl. gras ‘gras, grasspriet, grasveld’, os. ohd. gras, ofri. gers, gres, oe. gærs, græs (ne. grass), on. gras, got, gras. — Lat. gramen (< * gras-men); een typisch voorbeeld van ital.-germ. taaleenheid, vgl. Krahe, Sprache und Vorzeit 75). — Afg. van idg. *ghrǝs, waarnaast *ghrō in groeien. — Zie: groeze.

Het mnl. kent reeds vele bijvormen: gars, gers, gors, gres; zo ook in de huidige dialecten: gres o.a. Veluwe, Achterhoek), grös (Kampen, Achterhoek), gors (Goeree, N-Beveland: hos), gars (N. Holl. als landmaat), gas, ges (Z. Holland). Voor de verklaring van gers zie vHaeringen Suppl. 61, die aan invloed van de omgevende medeklinkers denkt, en niet aan overname uit het mv. (Sarauw, Nd. Forschungen 1, 266) en ook niet aan ablaut (W. de Vries Ts. 34, 1915, 18). — De dialectische vormen zijn te vinden op de kaart van I. Habermehl, Taalatlas Afl. 1, 14. en op kaart 4 van K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederl. en voor de Zeeuwse vormen vgl. A. Weynen, Taaltuin, 7 1938-9, 267.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gras znw., o., dial. ook gres (Kamp., Vel., Elten-Bergh, Achterh.), grös (Kamp., Achterh.) en met metathesis gors (Goeree; N.-Bev. hŏs), gars (N. Holl. als maat), gas, ges (Zuidndl.; uit gars, gers). Vgl. gors II en voor gres vgl. esp, fles. Uit mnl. gras (gars, gers, gors, gres) o. “gras, grasspriet, grasveld” = ohd. gras o. “gras, kruid” (nhd. gras), os. gras, ofri. gers, gres, ags. gærs, græs (eng. grass) o. “gras”, on. gras o. “gras, kruid”, got. gras o. “kruid”. Met ablaut mnl. groese, gruese v. “jong groen, graszode, weiland, afgesneden gras” (nnl. dial. groes; groeze, o.a. ook = “gors”), mhd. gruose v. “sap en jong spruitje van planten”. Wellicht verwant met groeien. De combinatie met lat. grâmen “gras, grasspriet”, dat dan op *ghradh-s-men- terug zou gaan, is niet wsch. De combinatie van gras met de bij gerst besproken basis (oorspr. bet. van * ʒrasa-: “het spitse, stekelige”) is minder aannemelijk dan die met groeien. Dat de s formantisch is, daarop wijst ook ags. græ̂de m. “gras, grasspriet”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gras. De dial. vorm gres (waaruit weer grös) is wel phonetisch niet geheel met esp, fles[ch], wesp te vergelijken, maar toch is de e beter uit a door invloed van consonantische omgeving dan uit het mv. (Sarauw Ndd. Forsch. I, 266) of als ablaut (W.de Vries Tschr. 34, 18) te verklaren. Vgl. voor ndd. diall. Nörrenberg Festschr. Borchling 287 vlgg.
De combinatie met lat. grâmen ‘gras, grasspriet’ (< *ghras-men-) is zonder bezwaar. I.pl.v. ags. græ̂de lees: græ̂d m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gras o., Mnl. id., Os. id. + Ohd., Mhd. en Nhd. id., Ags. græs (Eng. grass), Ofri. gers, On. gras (Zw. gräs, De. græs). Go. gras: staat tot groeze als varen tot voer; verwant met groeien, niet met gerst. Zuiverder Ndl. zijn de dial. en Mnl. vormen met metath. gars, gers.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

graas (zn.) gras; Vreugmiddelnederlands gersa <1125-1130>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

gars 1, gers, gaars, gaas, gurs, zn.: gras. Gars, door metathesis uit gras, gers door de bekende er/ar-wisseling. Gaas door assimilatie rs/s uit gaars met klinkerrekking.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

gors, gos zn. o.: gras, buitendijks land. Mnl. gras, met varianten door metathese: gars, gers, gors. Gos door assimilatie rs > s. Samenst. gorsbeest(e) ‘rund geweid op de gorzen’, gorswachter ‘veehoeder op gorzen’.

gos, gas, ges zn. o.: gras. Door assimilatie rs > s uit gors (zie i.v.), gars, gers. Vgl. Wvl. gas, ges. Samenst. gosbeuter, -butter, -botter ‘grasboter’, gosbos ‘sloddervos’, gosduker ‘meikever aan touwtje’, goshoek ‘bergplaats voor paardenvoer’, goshulle ‘hoog groeiende graspol in de weide’, gosjonker ‘grasjonker, groenling, geelgors’, goskant ‘graskant’, gosklatten ‘zachte regenbuitjes’, gosmatte ‘grasdek’, goszakken ‘graszakken, regenlucht in het voorjaar’, gosweie ‘graaswei’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

gaas, ges, zn. o.: gras. Door rs/s-assimilatie uit gars, gers door metathesis uit gras.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gras s.nw.
Enige plant van 'n spesifieke familie, wat o.a. die graansoorte en ander weidingsgewasse insluit.
Uit Ndl. gras (al Mnl.). Ndl. gras hou oorspr. met groeien 'groei' verband, egter nie met garst 'gars' nie.
D. Gras, Eng. grass, Goties gras, Sweeds gräs.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Gras snw. Segsw.: Solank die gras groei, vrek die perde. Schonken 60 het hierdie segsw. as in Suid-Afrika ontstaan beskou. Egter Harreb. I, 258: Terwijl het gras groeit, sterven de paarden van honger: Joos, Schatten 205: Eer ’t gras is gewassen, is ’t peerd dood.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gras (het -- horen groeien) (vert. van Duits das Gras wachsen hören)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gras ‘gewas op weiden e.d.’ -> Negerhollands graas, gras ‘gewas op weiden e.d.’; Berbice-Nederlands grasa ‘gewas op weiden e.d.’; Sranantongo grasi (ouder: glasi) ‘gewas op weiden e.d.’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans gaási ‘gewas op weiden e.d.’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gras* gewas op weiden e.d. 1125-1130 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

51. Er schuilt een adder in 't gras,

d.w.z. er ligt, onder het voorkomen der onschuld, een boosaardig opzet verborgen; fr. il y a anguille sous roche. De fr. uitdr. beteekent in 't algemeen: daar schuilt iets achter; hd. es ist eine Natter im Grase; eng. there is a snake in the grass. Het is eene vertaling van het lat. latet anguis in herba, dat voorkomt bij Vergilius Ecl. 3, 93, doch aldaar in letterlijken zin; in het mlat. is het reeds eene spreekwijze (Journal, 10). Ook in het Mnl. wordt de zegswijze reeds fig. opgevat in Rose, 13931. Eveneens zeide men er schuilt een slang in 't gras (Vondel) of er schuilt een angel onder, of zooals Halma, 33 citeert: Daar is een angel onder verborgen, il y a quelque venin, ou quelque mal caché làdessous. Huygens, I, 172 spreekt van een aeltje onder 't gras (vgl. fr. anguille). Tuinman I, 1: Daar schuilt een slang onder 't loof. Natuurlijk moet hier onder angel verstaan worden de tong eener slang, zooals ook blijkt uit de in het Ndl. Wdb. II, 451 opgegeven plaats uit J. Luyken, Zed. en St. Gez. 168: Daar 't masker van behaaglykheid een valsen add'ren angel dekte.In Journal, 388 wordt ook geciteerd: serpens in gremio en non remoritur scorpius in sinu tuo.

727. Er geen gras over laten groeien,

d.w.z. de behandeling eener zaak niet uitstellen (eig. niet laten verjaren? zie Ndl. Wdb. V, 578). Bij Campen, 115: laet hyer ghien gras over wassen; vgl. ook W. Leevend VI, 339 en Tuinman II, 240: t' Is in 't vergeetboek geraakt; dat komt overeen met het lange gras is'er over gewassen. Ook in het Friesch: wy moatte der gjin gêrs oer waechsje litte; in het Groningsch: er gijn gras over wassen loaten (Taalgids IV, 278) en hij let 'er gijn gras over gruien (Molema, 133 a); Waasch Idiot. 229 a: ge meugt daar geen gars laten over groeien, ge moet aanstonds handelen en niet uitstellen; Antw. Idiot. 1907: er den mos niet laten over wassen, iets niet op zijn beloop laten. Vergelijk ook de vroegere zegswijze dat is reeds lang met gras begroeid, dat is al zoo lang geleden; hd. darüber ist längst Gras gewachsen; wir wollen Gras darüber wachsen lassen; nd. dar wasset wol Gras öwer (Eckart, 69); et sind Bremmen deröewer wassen (Eckart, 61); eng. not to let the grass grow beneath one's feet; to let no grass grow under one's feet, altijd druk bezig zijn; in 't fri. dêr is 't gêrs al oer woechsen, de zaak is reeds vergeten.

728. Iemand het gras voor (of onder) de voeten wegmaaien,

d.w.z. iemand een voordeel, een kans, of wel de gelegenheid om iets te doen benemen of afsnoepen, hem met iets voor zijn; Ndl. Wdb. V, 581. Verg. het oostfri. êmand 't gras för de fôten wegmeien; nd. weame dat Gras vör den Fäuten weag mäggen (Eckart, 169). De oorspr. bet. schijnt te zijn ‘iemand den voet lichten’, en vandaar eene kans afzien, hem vóór zijn; vgl. Spaan, 46: Alzoo hy wel zag, dat dit jonge borsje hem tavond of morgen het gras onder de voeten af zou komen te snyden; Tuinman I, 330; II, 119; C. Wildsch. III, 73: Ja ik ken ook wel wat uit de Schrift, al pronk ik er zô niet mee als zekere vrouwen, die de leeraars dikwijls het woord uit den mond neemen, en het gras voor de voeten wegmaaijen; Halma, 193: Iemand het gras van onder de voeten afmaaijen, couper à quelqu'un l'herbe sous le pied, le supplanter; Sewel, 295: Iemand 't gras onder de voeten weg maaijen, to trip up one's heels, to supplant or undermine one; Waasch Idiot. 229 a; Teirl. 481. De zegswijze is dan synoniem met iemand het gras onder de zolen maaien, dat Hooft in zijne Ned. Hist. 6 in den zin van ‘iemand den voet lichten’ gebruikt; fr. couper l'herbe sous le pied à qqn; eng. to cut the grass from under one's feet. In Zuid-Nederland: iemand den bal van veur de neuze nemen, pakken of slaan (Teirl. 95; Waasch Idiot. 88).

958. Te hooi en te gras,

vroeger ook bij hooi en (bij) gras, d.w.z. zelden, zoo nu en dan. De uitdr. dateert uit de middeleeuwen en was eene tijdsbepaling voor rechtsdagen, met de beteekenis: in den voorzomer (den hooitijd) en in het voorjaar (in April, de grasmaand), dus eig. tweemaal 's jaars en vandaar hoogst zelden, niet dikwijls, een paar maal. Vgl. Oorkb. v. Doorninck, 171 (a. 1477): Dese claringhe mogen wij doen twewerf des jaers, eens bi grase ende eens bi stroo. In het mnd: So moghen de heren twie in dem iare richte holden in dem lande, dat ene bi grase, de ander bistro (Lübben II, 140). De oudste tot nu toe gevonden plaats waar de uitdr. in fig. zin voorkomt, is die uit Brederoo I, 224, vs. 332: Sy lacht by hoy en by gras, dat's goelickjes tweemael 's jaers; zie ook Lucelle, vs. 464; Van de Venne, Tafr. v.d. Belacchende Werelt, 9: Ick gae nimmer tot Joost Dael en Jasper Klimmer, maer ick sit tot ouwe Faas eens te hooy, en eens te graas; Kluchtspel, III, 250; Sewel, 295: By hooi en by gras iemand bezoeken, to visit one now and then; Halma, 193: Bij hooi en bij gras, de fois à autre, rarement; C. Wildsch. II, 102; 261; 317; III, 152; IV, 195; 273; V, 198; Weiland: te hooi en te gras; in het fri.: by hea en by gêrs; in het mnl. bi grase ende bi stro of bi corne ende bi grase (in lett. zin); zie het Mnl. Wdb. II, 2106; III, 1923; VII, 2329 en Ndl. Wdb. V, 580.In Noord-Holland kent men de uitdr. een land te hooi en te gras hebben, d.w.z. wanneer men het eenmaal maait (voor het hooi) en daarna gebruikt als grasland (om er koeien in te laten loopen).

2693. (Aanv.) Het gras hooren groeien,

‘een bewijs van bovenmenschelijke fijnheid van gehoor; de Edda schrijft dit vermogen aan Heimdaller, een der Asen, toe. Thans gewoonlijk ironisch gebezigd, in toepassing op neuswijze, ingebeelde personen’. (Ndl. Wdb. V, 579). Vgl. Molema, 133a: Hij kan 't gras wassen hooren; hij is in de hoogste mate eigenwijs; Handelsblad, 26 Febr. 1925 (O) p. 5 kol. 1: Drie onderwerpen in hoofdzaak vroegen de aandacht der hoorders. Het beleid der regeering in het verleden, het politiek perspectief en de financieele toestand. Dit is het moment, waarop de politieke tinnegieters het gras hooren groeien. Vgl. hd. er höret das Gras wachsen, die Mücken niesen, die Flöhe husten, die Schafe feisten, er ist überklug; Bebel no. 85. Ille audit gramina crescere; dicitur in eos, qui sibi prudentissimi videntur; fr. il entend l'herbe lever.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(ghrē- :) ghrō- : ghrǝ- ‘wachsen, grünen’, nur germanisch (und slavisch?), ghrōs- : ghrǝs- ‘Gras, Pflanzentrieb’

Got. gras n. ‘Gras, Kraut’, aisl. as. gras, ags. græs, gærs ds., ahd. gras, nhd. Gras; vollstufig mhd. gruose f. ‘junger Pflanzentrieb, Pflanzensaft’, mnd. grōse f. ‘Pflanzensaft’, mnl. groese ‘junges Grün, junges Gras’;
ohne die s-Ableitung: aisl. grōa ‘wachsen, geheilt werden’, ags. grōwan ‘grünen, blühen’, engl. grow, ahd. gruoen, gruowan, mhd. grüejen ‘wachsen, gedeihen, grünen’; aisl. grōði m. ‘Wachstum’, mhd. gruot f. ‘das Grünen, frischer Wuchs’; ahd. gruoni, mhd. grüene, ags. grǣne, aisl. grø̄nn ‘grün, neu, gut’; Grø̄naland ‘Grönland’.
Mit Dentalerweiterung: ags. grǣd m. ‘Gras’, mhd. graz, -zzes ‘junge Zweige von Nadelholz’ aus ghrē-t-, ghrǝ-t-;
wahrscheinlich zu ghrē-: ghrō-: ghrǝ- ‘hervorstechen, z. B. von Pflanzentrieben, Pflanzenstacheln, Barthaaren’ und dessen leichter Grundwz. gher- ds. (s. dort); auf letztere wäre lat. herba ‘Pflanze, Halm, Kraut’ zu beziehen, wenn aus mit *g̑herz-dhā ‘Gerste’ suffixal gleichartigem *gher-dhā.
Berneker 355 erwägt zweifelnd für aksl. grozdъ ‘Traube’, groznъ ds. ein verwandtes *ghras-dho-, -nu- als Grundlage; die Bedeutung wäre allenfalls durch russ. gránka ‘Büschel’ : bulg. skr. grána ‘Zweig’ zu rechtfertigen.

WP. I 645 f., WH. I 616 f., 639 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal