Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gracht - (gegraven waterloop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gracht zn. ‘gegraven waterloop’
Onl. in de plaatsnaam Graft (Noord-Holland):Greft [12e eeuw; Künzel], Graft [rond 1200; Künzel]; mnl. herue upte grath ‘het erf aan de sloot’ [ca. 1210; CG I, 3], gracht ‘kanaal’, gracht of hol ‘(gegraven) kuil’ [beide 1240; Bern.], graht ‘waterloop’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], gracht ‘waterloop’ [1263; CG I, 83], gragt ‘graf’ [1270-90; CG II, Moraalb.], graft ‘waterloop’ [1284; CG I, 763]; vnnl. graft, graue, gracht ‘kuil, afwateringskanaal, uitholling’ [1599; Kil.].
Afleiding met → -te van het werkwoord → graven. Het woord was zowel onzijdig, in de betekenis ‘graf’, als vrouwelijk, in de betekenis ‘gegraven waterloop’.
Mnd. graft, gracht ‘gracht, begrafenis’, mhd. graft ‘gracht’; ofri. greft ‘gracht’ (nfri. grêft); < pgm. *grab-ti-. Daarnaast ohd. graft; oe. græft, greft ‘gegraveerd werk, beeld’; on. gróptr ‘begrafenis, kuil; het graveren’. Vormen met -e- zijn ontstaan door de i-umlaut die werd veroorzaakt door de uitgang *-ti; de (zware) medeklinkercluster -ht- / -ft- heeft echter in een groot deel van het Nederlandse en Duitse taalgebied de i-umlaut belemmerd.
De vormen met -ft zijn voornamelijk Hollands, die met -ht Oostvlaams, die met -cht, -gt komen elders voor, zie voor dit verschijnsel → achter. Het Limburgs heeft grecht(e). Ook de variant grift komt voor: vnnl. grift ‘(naam van een) gegraven vaart’ in gelegen aen de Reenische vaert off grift ‘gelegen aan de Rijnse vaart of Grift’ [1553; WNT], twee ... griften uyt den ouden Rhyn ‘twee gegraven vaarten uit de Oude Rijn’ [1663; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gracht* [kanaal] {in de plaatsnaam Greft, nu Graft (N.-H.) <1101-1200>, graft, gracht [grafstede, gracht] 1201-1250} afgeleid van graven, met overgang van ft in cht, vgl. after > achter, kraft > kracht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gracht znw. v. ‘uitgraving; kanaal’, mnl. gracht, grecht naast ouder graft, greft v. ‘gracht’ en o. ‘graf, begraafplaats’, mhd. graft v. ‘gracht, begrafenis’, ofri. greft v. ‘gracht’ (nfri. grēft, graft), vgl. on. grǫptr m. ‘graf, begrafenis; kuil; het graveren’. — Afl. van graven. — > amerik.-eng. graght (vgl. J. H. Neumann, JEGPh 44, 1945, 275).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gracht znw., mnl. gracht (graft, grecht, greft) v. “gracht, sloot”, o. “graf”. = mhd. graft v. “gracht”, mnd. graft, gracht v. “gracht, begrafenis, begraafplaats”, ofri. greft v. “gracht”, met andere bet. ohd. graft v. “gehouwen, gegraveerd werk, beeld”, ags. græft m. v. “id.”; verder vgl. on. gro̜ptr m. “het graven, begrafenis, graf, kuil, het graveeren”, ohd. os. bi-graft v. “sepultura”. Met verschillende t-formantia bij graven: het continentaal-wgerm. v. woord < *ʒraf-ti-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gracht. Ags. græft wordt m. v. en o. opgegeven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gracht v., Mnl. id. + Ohd. en Mhd. graft, Ags. græft: met cht uit ft van den stam van graven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

grag s.nw.
1. Uitgrawing as verdediging om 'n kasteel of stad. 2. Kanaal in of by 'n stad met water gevul en as verkeersweg gebruik.
Uit Ndl. gracht (al Mnl.), oorspr. 'n afleiding met -t van graven 'grawe' (sien grawe), met 'n verdere oorgang van -ft na -cht, dus graft na gracht. In Mnl. is graft nog 'n wisselvorm van gracht met ook die verdere bet. 'kuil om 'n lyk in te begrawe'.
D. Graben. Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. plekname (1823).
Vgl. 2graaf, graf, graveer.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gracht, voor graft, van graven, evenals drift van drijven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gracht ‘kanaal’ -> Engels † graft ‘sloot; slotgracht; straat aan weerszijden van een gracht’; Duits Gracht ‘bevaarbaar kanaal in Nederlandse steden’; Deens gracht ‘kanaal tussen straten in Nederlandse steden’; Zweeds † grakt ‘kanaal’; Italiaans gracht ‘kanaal tussen straten, karakteristiek voor Nederlandse steden’; Tsjechisch gracht ‘kanaal tussen straten in Nederlandse steden’; Kroatisch graht ‘kanaal tussen straten in Nederlandse steden’; Servisch graht ‘kanaal tussen straten in Nederlandse steden’; Sloveens gracht, graht ‘kanaal tussen straten, karakteristiek voor Nederlandse steden’; Amerikaans-Engels † graght ‘sloot, kanaal, watergang’; Papiaments † gracht ‘kanaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gracht* kanaal 1101-1200 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ghrebh-2 ‘kratzen, scharren, graben’, (Nicht immer sicher von ghrebh- ‘ergreifen, rechen’ zu scheiden; mit ihm identisch?; siehe Persson Beitr. 728 A. 1).

Got. graban ‘graben’, aisl. grafa ‘Ornamente einkerben, graben, stechen’ (Plur. Prät. aisl. grǫfum auf ein Präsens grefa weisend, das altnorw. und aschwed. (græva) tatsächlich belegtist), ags. grafan ds., as. bigraƀan ‘begraben’, ahd. graban ‘graben, eingraben, gravieren’; afries. grēva schw. v. in ders. Bedeutg., ndl. groeven ‘rieseln, auskehlen’; Iterativ zu graban-: ahd. grubilōn ‘bohrend graben, durchwühlen, nachforschen’, mhd. grübeln ds.; got. grōba f. ‘Graben’, ags. grafu, aisl. grǫf f. ‘Grube, Grab’ (germ. *grabō); got. grōba f. ‘Grube, Höhle’, aisl. grōf ds., ahd. gruoba ‘Grube, Höhle, Schlund’ (germ. *grōbō); ags. græf n. ‘Graben, Grab’, afries. gref, as. graf, ahd. grab ‘Grab’; aisl. grǫptr m. ‘Gravierung, Grab, Begräbnis’, ags. græft m. ‘sculptura, caelatura’ (germ. *graftu), afries. greft f. ‘Gracht, Graben’ (germ.*grafti), nld. gracht ds., ahd. graft f. ‘monumentum, sculptura, caelatura’ (aber ahd. gruft ist volksetymologische Umbildung von gr.-lat. crypta);
lett. grebju, grebt ‘aushöhlen, mit dem Grabstichel eingraben’, greblis m. ‘Hohleisen, Schrapmesser’ (auch Rechen, s. unter ghrebh- ‘ergreifen’);
aksl. pogrebǫ, pogreti ‘begraben’, skr. grèbȇm, grèbsti ‘krallen, kratzen’, mit po- ‘begraben’, čech. (alt) hřebu, hřébsti ‘graben, begraben’, poln. grzebę, grzésć ‘kratzen, graben, begraben’; schwundstufig slav. *grьběti in ačech. hřbieti ‘begraben liegen’, heute pohřbiti ‘begraben’; Iterativ aksl. pogrěbati, gribati ‘begraben’, russ. pogrebátь ds., skr. (alt) zagribati ‘verscharren’, čech. hrěbati ‘Vorwürfe machen, tadeln’, poln. grzebię, grzebać ‘scharren, striegeln, kratzen’, mit po- ‘begraben’; ksl. grebenь ‘Kamm’, russ. grébenь ds., skr. grȅbȇn ‘Stachel, Krämpel, Bergrücken’, čech. hřeben ‘Kamm, Hechel’, poln. grzebień ds.; aksl. grobъ ‘Grab’, skr. grȍb (Gen. grȏba), čech. hrob, russ. grob (Gen. gróba).

WP. I 653 f., Trautmann 96.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal