Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

graad - (eenheid van een schaalverdeling; rang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

graad zn. ‘eenheid van een schaalverdeling; rang’
In het mnl. betekent graet nog letterlijk ‘pas, schrede’ en ‘trede, trap’, in grat of ganc ‘schrede; trap’ [1240; Bern.], dat men met .xii. graden clam ‘dat men met 12 treden steeg’ [1285; CG II, Rijmb.], maar ook al overdrachtelijk ‘maat’ in in den hoechsten graet ‘in de hoogste mate’ [1276-1300; CG II, Lut.A] en ‘eenheid van schaalverdeling voor de positie van hemellichamen’, dat die sonne staet stille of weder kerd ten oesten ward .x. grade ‘dat de zon stilstaat of 10 graden terugloopt naar het oosten’ [1285; CG II, Rijmb.] en ‘rang, positie’ in van sinen graet setten ‘degraderen’ [1494; MNW].
Ontleend aan Latijn gradus ‘schrede, stap; positie; trap; rang, waardigheid’. De oorspronkelijke betekenis ‘stap’ werd uitgebreid tot ‘(trap)trede’ en werd overdrachtelijk zowel ‘onderverdeling’ als ‘bereikte hoogte’; al sinds de Oudheid werden afstanden ook gemeten in aantallen passen.
De verdere herkomst van Latijn gradus onzeker. Misschien, maar klankwettig niet geheel te verantwoorden, verwant met de reeks: Gotisch grid ‘stap’; Litouws gridyti ‘gaan’; Oudkerkslavisch gręsti ‘gaan, komen’ (Servo-Kroatisch gresti ‘gaan’); bij de wortel pie. *ghre(n)dh- (IEW 456).
gradatie zn. ‘trap, niveau’. Nnl. gradatie ‘opklimming’ [1824; Weiland], ‘stapsgewijs proces’ [1834; WNT Aanv.], ‘geleidelijke overgang’ [1847; Kramers], geen gradaties ‘geen verschillen in graad, in intensiteit’ [1875; WNT Aanv.]. Ontleend aan Frans gradation ‘stapsgewijs proces’ [1595; Rey], veralgemening van een betekenis uit de retorica ‘stapsgewijze versterking’ [1464; Rey] en in die betekenis ontleend aan Latijn gradatio ‘id.’, afleiding van gradus ‘schrede, trap’. De Latijnse betekenis verschijnt ook al in vnnl. gradatie [1553; van den Werve]. De 17e eeuwse woordenboeken van Hofman en Meijer definiëren het woord als ‘overstapping; trapklimming; trapspreuk’ e.d., dus zonder duidelijke verwijzing naar de huidige betekenis. ♦ gradueren ww. ‘een academische graad behalen of verlenen; stapsgewijze plaatshebben’. Vnnl. gegradueert in een vermaarde Universiteyt ‘een graad verkregen hebbende aan ...’ [1559; WNT Aanv.]; nnl. gradueren ‘trapsgewijs verdelen’ [1824; Weiland]. Via Frans graduer ‘een graad verlenen of behalen’ [begin 15e eeuw; Rey], ‘stapsgewijze (doen) plaatsvinden’ [1545; Rey], ontleend aan Latijn graduare ‘een rang verlenen; stapsgewijze plaatsvinden’, afleiding van gradus. ♦ gradueel bn. ‘trapsgewijs; in graad’. Nnl. (dat de waarde) gradueel ... was gevallen ‘stap voor stap, geleidelijk was gedaald’ [1795; WNT Aanv.], een gradueel verschil ‘een verschil alleen in graad, niet in aard’ [1914; WNT Aanv.]. Ontleend aan Frans graduel ‘stapsgewijs’ [1560; Rey], dat ontleend is aan middeleeuws Latijn gradualis ‘stapsgewijs’, een afleiding van Latijn gradus ‘stap, trap’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

graad [deel van schaalverdeling, rang] {graet [trede, ladder, graad] 1201-1250} < latijn gradus [stap, traptrede, graad, rang].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

graad znw. m., mnl. graet ‘trede, stap, trap, ladder, graad’ < lat. gradus ‘schrede, trede’ (daaruit ook ohd. grād, mnd. grāt, ofri. grād, oe. grād).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

graad znw., mnl., graet (d) m. (o.) “tree, stap, trap, ladder, graad”. Evenals ohd. grâd m. “schrede, tree” (nhd. grad), mnd. grât gew. o. “tree”, ofri. grâd (m.?) “tree”, ags. grâd m. “tree, rang” een geleerde ontl. uit lat. gradus “schrede, tree”. Naar een andere flexieklasse on. grâda v. “tree”. Vgl. voor den langen klinker bij kok.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

graad m., Mnl. graet, gelijk Hgd. grad, uit Lat. gradum (-us) = stap, trap, afgel. van gradi = gaan. Van Lat. *degradum het Fr. degré.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

graad (Latijn gradus)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

grad nu juist; nhd. gerade.

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Graad (< Lat. gradus = stap, trede). Het 360e deel van een cirkelomtrek, volgens de verdeling van de Babyloniërs. De Grieken noemden deze delen volgens Ptolemaeus μοῖρα (moira, = deel), hetgeen door de Arabieren vertaald werd door daraǧa (= ladder, trede) en door de Latijnse vertalers als gradus werd weergegeven. Oorspronkelijk werd deze verdeling door de Grieken alleen toegepast op de jaarlijkse zonnebaan, later ook op andere cirkels. De graden werden onderverdeeld in ἑξηκοστὰ πρῶτα (hexèkosta proota) = „zestigste delen van de eerste orde”; Lat. minúta prima (lett. eerste (kleine) delen), afgekort tot minúta; en deze weer in ἑξηκοστὰ δεύτερα (hexèkosta deutera) = „zestigste delen van de tweede orde”; Lat. minúta secónda (lett. tweede (kleine) delen), afgekort tot seconda; minútus = klein. Dezelfde verdeling werd door de Grieken oorspronkelijk ook op de dag toegepast, zodat de „eerste delen” overeen kwamen met 24 minuten volgens onze berekening en de „tweede delen” met 24 seconden.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Graad (Lat. grádus = stap, schrede, trede van een trap). De naam graad, die gebruikt werd voor de eenheid van hoeken, werd na de invoering der thermometers ook de naam voor de eenheden waarmee in de verschillende systemen de temperatuur wordt gemeten. → Celsius, Fahrenheit, Kelvin, Réaumur.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Graad (< Lat. gradus = stap, trede). 1) Ptolemaeus (ca. 85–165 na Chr.) verdeelt in den Almagest den cirkelomtrek in 360 delen, die hij μοῖραι noemt (μοῖρα = deel). De Arabische vertalers gebruikten hiervoor het woord daraga (ladder, trede), dat daarna in het Latijn werd overgenomen als gradus. 2) Tot de invoering van den term ,,graad van een vergelijking” heeft Descartes (1596–1650) aanleiding gegeven door zijn indeling van de algebraïsche krommen in verschillende genres. Bij hem zelf bevat het ne genre echter nog de graden (2n – 1) en 2n, terwijl hij den graad van een vergelijking nog dimension noemt. Het woord graad voor krommen werd definitief ingevoerd door Gergonne (1771–1859).

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

graad.- Men zegt in ’t Nederlandsch in hooge mate en in een hoogen graad; maar een goed stilist zal deze laatste uitdrukking vooral gebruiken waar alleen sprake is van een hoedanigheid die in verschillende graden kan voorkomen. Men kan dus zeggen: zijne natuur is dichterlijk in hooge mate of in een hoogen graad; maar minder juist klinkt een dichterlijke inborst in hoogen graad, want in hoogen graad kan alleen behooren bij dichterlijk en niet bij dichterlijke inborst. Toch wordt in Zuid-Nederland daartegen veelvuldig gezondigd; ongetwijfeld is dit een gallicisme, t.w. navolging van fr. à un haut degré. || De grond (van een sprookje) is natuurlijk onwaar en onmogelijk in den hoogsten graad, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 145 (hier past geene der beide uitdrukkingen, daar onmogelijk een absoluut begrip is). Die goede hoedanigheid (t.w. natuurlijkheid) treffen wij nog in hoogeren graad aan in de vier stukken ..., welke het Museum van Antwerpen van hem bezit, 2, 20. Een dichterlijke inborst heeft hij dus in hoogen graad, ROOSES, Derde Schetsenb. 250. Dit alles vinden wij in beide werken in even hoogen graad, 306. Het ideaal voor een philoloog is een taal die voor elke der uit te drukken betrekkingen een uitgang of een bijzonder merkteeken bezit. De oude talen ... beantwoorden de eene minder, de andere meer, doch allen (sic) in een tamelijk hoogen graad, aan het ideaal, GITTÉE in De Toekomst 30, 274.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

graad ‘eenheid van schaalverdeling, rang’ -> Indonesisch grad ‘verwantschapsgraad’; Javaans grad, grat ‘verwantschapsgraad’; Creools-Portugees (Ceylon) grado ‘eenheid van schaalverdeling, rang’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

graad eenheid van schaalverdeling, rang 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal