Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gotspe - (brutaliteit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gotspe zn. (NN) ‘brutaliteit’
Nnl. goetspo ‘onbeschaamdheid, brutaliteit’ [1896; Woordenschat], wadde gotspe! ‘wat een ongehoord, ongepast verhaal!’ [1904; Groene Amsterdammer], wat een lef, wat een godspe ‘wat een lef, wat een brutaliteit’ [1906; WNT uitsnijden], zoo maar om gekheid te maken; voor 'n godspe ‘... als een brutale, ongepaste grap’ [1938; WNT Aanv.].
Ontleend aan Jiddisch chotspe ‘brutaliteit, lef’ < Hebreeuws ḥutspā ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gotspe [brutaliteit] {na 1950} < jiddisch gotspe < hebreeuws ḥuṣpā [aanmatiging, brutaliteit] < aramees ḥuṣpā.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

gotspe brutaliteit, vrijpostigheid. In 1896 voor het eerst opgetekend, in de Woordenschat van De Beer en Laurillard, een van de eerste Nederlandse woordenboeken waarin relatief veel aandacht wordt besteed aan platte en Bargoense woorden. Het komt hierin voor in de vormen goetspo en gotspe, met als betekenissen ‘onbeschaamheid, brutaliteit’. Als samenstellingen zijn in dit boek goetspo-ponim en gotspe-ponem opgenomen, voor ‘onbeschaamd gelaat, brutaal mensch’. In 1937 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Gabbertaal van E.G. van Bolhuis. Van Bolhuis geeft als voorbeeldzin: ‘Wat een gotspe heeft die vrijer.’ Ook aangetroffen als chospe, chotspe, godspe, gotzpe, enzovoort. Een min of meer vaste verbinding is wat een gotspe (‘wat een brutaliteit’). Via het Jiddische chotspe, ontleed aan het Hebreeuwse choetspa (‘aanmatiging’).
— ‘Ogh wat e gotspe’, bromde Hangjas. ¶ Herman Heijermans, ‘Begrafenis’, in: De Gids (1897), p. 87
— ‘Dat is een “gotspe”!’ had De Leeuw uitgeroepen. ¶ Bernard Canter, Kalverstraat (1904), p. 101. De schrijver verklaart de betekenis in een woordenlijst.
— Wat zeg je van zoo een gotspe, Katie? ¶ Micheal Gold, Joden zonder geld (1931) , p. 286

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

gotspe [chots’pe] (mv.: -s), choetspah, chospe, chotspe, chutzpah, godspe, gotzpe: vrijpostigheid, brutaliteit; (bn.) gotspedik [Siegfried van Praag], gotsperig [Eli Asser], gotspieus [Jaap Meijer], gotspuleus [Martin van Amerongen]. Vgl. gotspeponem | < Westjidd. chotspe (Oostjidd. choetspe) < Hebr. choetspo (Sf.Hebr. choetspa): aanmatiging < Aram. ■ vi meer khotspe, vi meer balmazel: de brutalen hebben de halve wereld.

— “De gotspe, de gotspe van zo’n kwajongen!”, viel-ie uit: “wie geeft jou ’t rech om je hande an mezoesos te slaan!” (HERMAN HEIJERMANS, 1904)
— - Na, tante, wie gaat ‘s? informeerde Ernst. - Ook een gotspe van een groene om tegen een jodin nà te zeggen, grinnikte Henkie, die dol was op jiddische uitdrukkingen. (S. DE VRIES JR., 1945)
— De zanger-telepaat Maloïts, Max Louis Blits, leek een Amsterdams-joodse uitgave van Tino Rossi en Luis Marino, maar was meer dan zij een slanke, mooie vent, die vrolijk-brutaal en ‘gotspedik’ (dat is de joodse nuance ervan) kon zijn. (SIEGFRIED E. VAN PRAAG, 1985)
— Wij winnen die oorlog! Wij krijgen samen weer een nieuw kindje en nog eentje en nog eentje, de ene gezonde voljoodse baby na de andere! We zullen van de zomer weer de horra kunnen dansen op het Amstelveld en we gaan erbij zingen, zingen, zo hard, zo brutaal, zo gotsperig als we maar kunnen... (ELI ASSER, 1992)
— De grootste gotspe is wel dat de staatssecretaris verklaart dat we in december al de nieuwe spelling “mogen gaan gebruiken”. Mogen! Maar die nieuwe spelling mogen we al sinds 1954 gebruiken, en werd ons zelfs als voorkeurspelling aanbevolen. (PIET GRIJS [PS.V. HUGO BRANDT CORSTIUS], 1995)
— Shaw had het gotspuleuze standpunt dat hij een beter schrijver dan Shakespeare zou zijn, zonder tot dusverre iemand te hebben gevonden die het daarmee eens is. (MARTIN VAN AMERONGEN, 1998)

Zie ook azzes, gotspes

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gotspe (Jiddisch chotspe)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

chotspe brutaliteit; hebr. choetspa, idem.

gotspe gospe, brutaliteit; opgenomen in de ndl. volkstaal; van jidd. chotspe.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

gotspe < jidd. chotspe, vrijpostigheid, brutaliteit,

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gotspe brutaliteit 1937 [Aanv WNT] <Jiddisch

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

gotspe (← Hebr.), informeel voor ‘lef, durf’. Deze term is al oud en van oorsprong Bargoens. Is o.a. opgenomen in Uit Mokum en de mediene (1974) van H. Beem en door Endt en Frerichs (1974). Pas in de jaren tachtig meer algemeen ingeburgerd geraakt.

... en inmiddels voor ons historische woorden sprekend: oh mevrouw, ik zal voor U bidden!!! ‘Wat een gotspe als je bedenkt dat mijn ouders en ook hun kinderen overtuigde atheïsten zijn.’ (Vrij Nederland, 06/10/84)
Zich boos maken, was dat geen gotspe? (Gerrit de Zeeuw: Zwarte Lucht, 1989)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal