Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gnosis - (diepere kennis van de christelijke leer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gnosis zn. ‘diepere kennis van de christelijke leer’
Nnl. gnosis ‘geheime kennis, openbaring’ [1824; Weiland], ‘diepere geheime kennis der christelijke godsdienstleer, godsdienst-filosofie der eerste christelijke eeuwen’ [1847; Kramers].
Internationale term ontleend aan Grieks gnõsis ‘kennis, het weten’, afleiding van het werkwoord gignṓskein ‘leren kennen’, verwant met → kunnen.
Aanvankelijk werd het Griekse woord gnõsis gebruikt voor ‘grondige kennis van de mysteriën van de religie’, met name in de context van het gnosticisme, in de eerste eeuwen van onze jaartelling een stroming binnen het christendom, waarvan de aanhangers, de gnostici, meenden dat de mens alleen tot heil komt door gnosis; de kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) was een bekende bestrijder van deze leer. In recente eeuwen wordt de term ook gebruikt door aanhangers van mystieke wereldbeschouwingen als aanduiding van esoterische kennis. Ook Frans gnose [17e eeuw; Rey], Engels gnosis [1703; OED], Hoogduits Gnosis.
gnosticisme zn. ‘gnostiek’. Nnl. eerst in de vorm gnosticismus ‘de leer der gnostieken’ [1847; Kramers], dan in de huidige vorm, in het gnosticisme kent geen anderen dan een transcendenten God [1868; WNT Aanv.]. Met latere aanpassing van het achtervoegsel ontleend aan Hoogduits Gnostizismus, Gnosticismus [18e eeuw], gebaseerd op Grieks gnõsis. ♦ gnosticus zn. ‘aanhanger van gnosticisme’. Vnnl. de Gnostici ... wilden hier uyt besluyten, dat de Ziele een gedeelte is van het Goddelijcke wesen [1634; WNT droomen]. Nieuwe ontlening aan christelijk Laatlatijn gnosticus ‘aanhanger van het gnosticisme, ketter’, ontleend aan het Griekse bn. gnōstikós ‘wetend, wijs’, afleiding van het werkwoord gignṓskein ‘leren kennen’. Laatlatijn gnosticus, mv. gnostici, was eerder al ontleend als gnostieken (zn. mv.): vnnl. de Gnostiken ‘de gnostici’ [1569; WNT Aanv. gnostieken]; nnl. gnostiken “kenners; geheimweters, sekte van zekere ketters in de eerste en tweede eeuw, welke zich beroemden, geheime wetenschappen te bezitten” [1824; Weiland], de gnostieken, aanhangers van de gnosis [1943; WNT Aanv. gnostieken]. ♦ gnostiek zn. ‘gnosticisme’. Nnl. gnostiek ‘geloofsstroming binnen het vroege christendom’ in hare argumenten ontleende de Gnostiek in de eerste plaats ... aan de Nieuw-Testamentische geschriften [1868; WNT Aanv.]. Ontleend aan Hoogduits Gnostik [18e eeuw].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gnosis [diepere kennis m.b.t. godsdienstige waarheden] {1824} < grieks gnōsis [inzicht, als christelijke term: het beleven van verborgen dingen] (vgl. gnostisch).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gnosis diepere kennis m.b.t. godsdienstige waarheden 1824 [WEI] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal