Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glosse - = glos

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Glosse (Gr. gloossa = taal, vreemd woord). De Grieken verstonden hieronder onduidelijke woorden of uitdrukkingen in de volkstaal (tongval) vooral bij dichters voorkomende. De taalgeleerden maakten daarom verzamelingen van glossen, glossaria geheeten, waarin zij de onduidelijke woorden verklaarden, bijv. glossen op Homerus. Daar in zulke glossen vaak aanmerkingen – in afkeurenden zin – gemaakt werden, verkreeg de uitdrukking: “glossen op iets maken” de beteekenis van: op- en aanmerkingen op iets maken, vooral geestige of bijtende aanmerkingen.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Glosse, vroeger ook, in ’t mnl. zelfs uitsluitend: glose, verklaring, uitlegging; van ’t lat. glossa, grie. gloossa, woord, voor: het woord, dat verklaard moest worden, dan de verklaring zelf, ’t zij tusschen de regels of op den kant; dan in ’t algemeen. “Een handschrift, een tekst met glossen”. Roemer Visscher (Voorrede): “Dit werck (de Sinnepoppen) had ick doen conterfeyten of malen in seeckere papieren bladen, doch zonder enige uytlegginge oft glosse”. Vandaar glossarium, lijst van woorden met de verklaring. Later kreeg het ook de bet. van los praatje, en werd de uitdrukking (zijn) glossen ergens op maken = (zijn) spottende aanmerkingen, grappen ergens op maken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal