Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gissen - (raden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gissen ww. ‘raden’
Mnl. ghissen ‘overpeinzen’ [1340-60; MNW-P], ‘schatten (van aantal)’ [1350-1400; MNW-P], een schalc daer nyemant op ghist ‘een knecht waar niemand op let’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. gissen ‘raden, peinzen’ [1661; WNT].
Gissen betekent misschien oorspronkelijk ‘proberen te pakken’, bij een wortel die ‘pakken, krijgen’ betekent (zoals Engels get).
Mnd. gissen (hieruit wrsch. nzw. gissa, nde. gisse); misschien pgm. *get-s-jan (niet Noord-Germaans), een afleiding van pgm. *getan- ‘krijgen, pakken’ (zie → vergeten). Daarnaast me. gessen (ne. guess), ontleend aan ode. getsa (mde. gitse, getze), dat wschl. een afleiding is van on. geta ‘krijgen, pakken’ met het achtervoegsel -sa.
gis 2 zn. ‘gissing’. Nnl. metter gissen ‘naar gissing’ [ca. 1540; WNT], mijn giss is miss ‘mijn gissing is onjuist’ [1657; WNT]. Afleiding van gissen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gissen* [raden] {gissen, gessen [zijn zinnen zetten op, bedacht zijn op, vermoeden] 1451-1500} middelnederduits gissen [bedenken, vermoeden]; afgeleid van een ww. dat we tegenkomen in oudsaksisch bigetan [grijpen, vinden], oudhoogduits bigezzan [verkrijgen], oudengels begietan [krijgen, verschaffen, vinden] (engels to beget), oudnoors geta [verschaffen, verwekken, leren, vermoeden] → vergeten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gissen ww., mnl. ghissen ‘bedacht zijn op, bedenken, weten, vermoeden’, mnd. gissen ‘vermoeden, raden, bedenken’, de. gisse (ode. getse), zw. gissa ‘gissen, raden’. (De skand. woorden kunnen ontleend zijn uit het nd., terwijl ne. guess uit het nl. zal stammen). Het nijsl. gizka wijst op grondvorm *getiskōn, de westgerm. woorden wellicht op *getsianan, beide afl. van een ww. *gĕtan, vgl. os. bigetan ‘grijpen’, ohd. bigeʒʒan ‘verkrijgen’, oe. begietan ‘krijgen, verschaffen, vinden’, on. geta ‘verschaffen, verkrijgen, verwekken, leren, noemen, vermoeden’ (zie voor de bet. ontw. Rooth, Altgerm. Wortstud. 1926, 63), got. bigitan ‘vinden’ en zie verder vergeten. — > ne. guess (sedert 1330 bekend, mogelijk als term van zeelieden overgenomen, vgl. Bense 132).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gissen ww., mnl. ghissen “ bedacht zijn op, van plan zijn, bedenken, weten, vermoeden, gissen”. = mnd. gissen “vermoeden, raden, bedenken”, de. gisse (ouder-de. getse), zw. gissa “gissen, raden”. Eng. to guess “gissen” komt uit ’t Noorsch of Ndl.-Ndd. Vgl. ook ijsl. gizka “gissen, raden”. Wsch. is gissen ontstaan uit *ʒetsianan of een dgl. vorm, afgeleid van de germ. basis ʒet-, waarvan ohd. bigëʒʒan “verkrijgen”, os. bigëtan “grijpen”, ags. begietan “krijgen, verschaffen, vinden” (eng. to get uit ’t Noorsch, samenst. to beget), on. gëta “scheppen, zwanger worde van, verwekken, voortbrengen, verschaffen, krijgen, vertellen, gissen, vermoeden”, got. bigitan “vinden” en ook vergeten. Zie daar verder voor de etymologie. — gis znw. Reeds mnl. mnd. gisse v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gissen o.w., Mnl. id. + On. gitska (Zw. gissa, De. gisse); blijkens het On. steekt in de harde s een geassimileerde t, zoodat het een intens. is met -s-suffix van het simplex van vergeten; Eng. to guess uit Skand., Fri. gezze uit Ndl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1gis ww. (enigsins deftig)
Raai, vermoed.
Uit Ndl. gissen (al Mnl.).
Eng. guess, Sweeds gissa.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gis I: “raai”; Ndl. ww. gissen (Mnl. ghissen, o.a. “vermoed, raai”) en s.nw. gis (Mnl. gisse), Eng. guess (sedert 14e eeu), hou verb. m. vergeet, Hd. vergessen, Eng. get, forget, beget en hoërop m. Lat. praeda, “buit” (uit prehendere, “in die hande kry”), in Eng. en Skand. wsk. uit Ndl. uit Hd. en ouer bet. ong. “kry, verkry, vind, bereken”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gissen ‘raden’ -> Duits gissen ‘positie van een schip ramen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens gisse ‘positie van een schip ramen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gisse ‘raden’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gissen* raden 1451-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal