Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gipskruid - (plantengeslacht (Gypsophila))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gipskruid zn. ‘plantengeslacht (Gypsophila)’
Nnl. gipskruid ‘een soort steenbreek’ [1872; van Dale], gipskruid ‘gypsophila, ook wel gaffelsteng en gipsminner’ [1889; WNT gips], zeepbloem, een soort van gipskruid [1898; van Dale]. Eerder al bekend onder de naam gipsminner [1789; WNT gips].
De oudere naam gipsminner is een vertaling van de Latijnse naam gypsophila, letterlijk ‘gipsminner’, van Grieks gúpsos ‘kalk’, zie → gips, en phílos ‘dierbaar, vriend’, zie → -fiel, wrsch. omdat gipskruid oorspronkelijk op kalkhoudende grond groeit. Het tweede lid van de samenstelling is later vervangen door het veel gebruikelijker -kruid, zie → kruid.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal