Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ginnegappen - (spottend, ingehouden lachen, grinniken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ginnegappen ww. ‘spottend, ingehouden lachen, grinniken’
Nnl. eerst in de vorm ginnegabben in wat let u te ginnegabben? ‘waarom zou je niet spottend lachen?’ [1613; WNT nuk] en laet haer lachen en ginnegabben ‘laat ze maar lachen en spotten’ [1617; WNT]; de vorm ginnegappen pas aan het eind van de 17e eeuw: 't spotten en het ginne-gappen [1679; WNT nuk]; nnl. hoor dat ginnegappen ... eens aan [1762; WNT], ginnegaffen of ginnegappen ‘grinniken, giechelen’ [1810; WNT].
Het eerste deel van deze samenstelling is een ongebruikelijk Vroegnieuwnederlands werkwoord ginnen, in versterkte vorm ook ginniken ‘lachen’, bij het zn.gijn, en te vergelijken met Oudnoords ginna ‘bedriegen’. Het tweede deel komt voor als mnl. gabben ‘hoonlachen, bespotten’, en ook als frekwentatief gabberen; de etymologie daarvan is onzeker, het is misschien een variant van → gapen. Er bestaat geen verband met → gabber.
Een vergelijkbare samenstelling is on. ginnunga gap ‘lege ruimte, chaos’.
Vnnl. ginnen en on. ginna gaan terug op pgm. *ginn-, variant van pgm. *gin-/gīn- ‘gapen’, zie → geeuwen. Bij mnl. gabben: mnd. gabben ‘bespotten’, gabberen ‘spotten, grappen maken’; ofri. gabbia ‘een oploop veroorzaken, een dader volgens gerucht aanwijzen’; on. gabba ‘voor de gek houden, spotten’ (nzw. begabba ‘bespotten’), met andere medeklinkers nnd. gaffeln ‘luid lachen’ en nzw. gaffla ‘kletsen, kwebbelen’ (wrsch. < nnd.).
Een afleiding van het werkwoord gabben is → gebbetje. Andere afleidingen van gabben zijn uit onze taal verdwenen: mnl. gabber(t) ‘grappenmaker’, gabberie ‘grapje’ [beide MNW], gabberdie ‘grapje’ [MNHW], vnnl. gabberije ‘grapje’ [1573; WNT gabben], gabberdacie ‘grapje’ [1599; Kil.]. Een eigennaam die wrsch. van gabben is afgeleid is Gabbard, in dat wilke land heet woutre gabbards land ‘welk land Wouter Grappenmakers Land heet’ [1268; CG I, 117].
Ontleend uit het Germaans zijn Oudfrans gab ‘grap’, gaber ‘bespotten’ (Nieuwfrans gaber ‘id.’, waaruit wrsch. Middelengels gabben ‘id.’), Italiaans gabbo ‘scherts’, gabbare ‘bespotten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ginnegappen* [giechelen] {1717} ontstaan uit ginnegabben {1617}, samengesteld uit ginniken + middelnederlands gabben, die beide ‘spottend lachen’ betekenen, vgl. fries gysgabje, g(n)iisgapje [ginnegappen]; de vorm ginneken is waarschijnlijk van grinniken, middelnederlands greniken; voor gabben vgl. gebbetje.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ginnegappen

, dat wil zeggen: min of meer onhebbelijk of ongemanierd gichelen, is een samenvoeging van twee werkwoorden: ginniken en gabben.

Het eerste vindt men ook in de vormen grinniken en hinniken. Gabben is minder bekend, maar de Noordhollandse spreektaal heeft een familielid bewaard. Daarin is: gebbetje voor: grapje nog algemeen bekend. Gabben is dan ook: spottend lachen, grappen maken, hoonlachen. In vroeger tijd zei men dus: ginnegabben. Pas later werd de uitspraak en de schrijfwijze met dubbele p algemeen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ginnegappen ww., sedert c. 1600, naast ouder ginnegabben, een samenstelling van ginniken en gabben ‘spottend lachen’. Het eerste staat naast grinneken; het behoeft daaruit niet ontstaan te zijn, want ginniken kan uit een ouder * ginnen ontstaan zijn, te vergelijken met on. ginna ‘bedriegen’, noorw. gjøne ‘voor de gek houden, bespotten’, die verder behoren bij on. gina ‘gapen, happen naar’, oe. toginan ‘open staan, gapen’, naast ganian (ne. yawn) ‘gapen’, die tot de onder geeuwen behandelde groep behoren. — Het 2de deel is mnl. gabben ‘hoonlachen’ (oudnnl. ook gabberen, vgl. holl. gebbetje ‘grapje’), mnd. gabben, gabberen ‘grappen maken’, ofri. gabbia ‘een dader op algemeen gerucht aanwijzen’, me. gabben ‘spotten, bedriegen’, on. gabba ‘voor de gek houden’; verder nog nhd. gaffeln ‘lachen, leuteren’, oe. gaffetung ‘spot’. Deze rijke ontwikkeling wijst op het affectieve karakter dezer woordgroep. Men kan nog toevoegen mhd. gampel, gimpel ‘met wie de spot gedreven wordt’, gampen ‘schertsen’ (Solmsen IF 30, 1912, 7). Ze voeren terug op gapen (voor de wisseling bb : b zie v. Friesen, Mediogem. 36-40 en Bloomfield, Fschr. Sievers 1925, 101 en bb : p Hellquist GHÅ 14, 1908, Nr. 2, 13).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ginnegappen ww., sedert ± 1600. De oudere vorm is ginnegabben. Gevormd van oud-nnl. en dial. nnl. ginniken en gabben, beide = “spottend lachen”. Het eerste komt sedert Kil. voor, dial. is ’t ook = “hinniken”; het kan een vervorming van mnl. grēniken, nnl. grinniken zijn; minder wsch. is verwantschap met on. ginna, o.a. = “bedotten” of met de bij geeuwen besproken basis germ. ʒī̆-. Mnl. oud- en dial. nnl. gabben “hoonlachen” (oudnnl. ook gabberen; gebbetje o. “grapje” is in de holl. spreektaal nog zeer bekend) = mnd. gabben (gabberen) “grappen maken”, ofri. gabbia “den dader aanwijzen volgens algemeen gerucht”, ags. gabbian (eng. to gab, to gabble), on. gabba “spotten, grappen maken”. Met f, ff opperdu. gaffeln “leuteren”, ags. gaffetung v. “het spotten”, (ge)gafspræ̂c v. “minne woorden”. Oorsprong onzeker. Men denkt aan een wortelvariant van gapen. Wellicht echter is de grondbet. “spotten” of “gemeene, dwaze dingen zeggen” en niet “den mond openen” geweest. Uit ’t Germ., ofr. gab, it. gabbo “scherts, spot” met het ww. gaber resp. gabbare. ’t Fri. bezit gysgabje, -gobje, g(n)iisgapje “ginnegappen”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] ginnegappen. Men heeft mnl. gabben enz. en mhd. gampen (zie gemelijk) met lat. hebes “stomp, stompzinnig”, gr. képphos “onnoozele, licht te foppen mensch en vogel”, Képhōn persoonsnaam en event. nog andere gr. woorden gecombineerd, voor deze basis een grondidee van stompzinnigheid en geestelijke zwakheid aannemend; niet plausibel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ginnegappen. Schrap ags. gabbian.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ginnegabben ono.w., ontstaan door samenkoppeling van de stammen van ginniken en gabberen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ginnegaap ww.
Laggend, oppervlakkig en verspot oor onbenullige sake gesels.
Uit Ndl. ginnegappen (1648) 'onhebbelik, ongemanierd, spottend giggel', 'n samestelling van verouderde, gewestelike Ndl. ginniken 'grinnik' en verouderde, gewestelike Ndl. gappen, 'n wisselvorm van gabben 'spottend of skertsend lag, babbel'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ginnegappen* giechelen 1717 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal