Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gewijsde - (definitief vonnis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gewijsde zn. ‘definitief vonnis’
Mnl. ghewijsde ‘vonnis, oordeel’ in robbrecht ende die aeldinghers wilden wel hebben hare ghewijsde ‘Robrecht en zijn erfgenamen wilden graag dat er een vonnis werd geveld’ [1295; CG I, 2249]. Tegenwoordig vrijwel uitsluitend nog in de uitdrukking kracht van gewijsde (hebben, krijgen, etc.) ‘definitiefheid (hebben, krijgen)’ en vooral in kracht van gewijsde gaan ‘definitief worden’.
Het zelfstandig gebruikte verl.deelw. van mnl. wisen in de betekenis ‘oordelen, vonnissen’, hetzelfde werkwoord als het huidige → wijzen, dat oorspronkelijk zwak was en pas later de huidige sterke vervoeging van klasse I kreeg. Het verl.deelw zelf verschijnt bijv. in gewijst dinc ‘afgehandelde rechtszaak’ of gewijst vonnisse ‘vastgesteld vonnis’, bijv. in bi ghewiseden vonnessen ‘volgens het vastgestelde vonnis’ [1290; CG I, 1453]; het tot zn. geworden gewijsde is het enige relict van de oude zwakke vervoeging.
In het Middelnederlands en het Vroegnieuwnederlands had gewijsde nog de algemene betekenis ‘vonnis’. Binnen de huidige rechtsopvatting is de betekenis vernauwd tot ‘vonnis dat niet meer kan worden aangevochten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gewijsde* [definitief vonnis] {ghewijsde 1295} van middelnederlands gewijst [tot het uitoefenen van eigendomsrechten bevoegd verklaard door het gerecht], gewijst tot/te [veroordeeld tot], verl. deelw. van wisen [wijzen naar, recht doen, vonnis wijzen] (zowel sterk als zwak vervoegd) (vgl. wijzen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gewijsde znw. o., mnl. ghewijsde is verl. deelw. van het zwakke ww. wijzen in de bet. van ‘vonnis uitspreken’, eig. ‘kenbaar maken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gewijsde znw. o., mnl. ghewijsde o. Partic. praet. van ’t oudtijds zwakke ww. wijzen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gewijsde o., is zelfst. gebr. regelmatig zw. v.d. van wijzen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Kracht van gewijsde. Men leest vaak: het vonnis is in “kracht van gewijsde” gegaan, d. w. z. de termijn, om in hooger beroep te komen, is verstreken en het vonnis is van kracht geworden. Immers, als een rechter een vonnis velt, staat dit nog niet onherroepelijk vast, het kan nog niet onmiddellijk worden uitgevoerd, bijv. het betalen van boete, het ondergaan van gevangenisstraf, enz.; de wet verleent n.l. den veroordeelde het recht om in hooger beroep te komen; is echter de wettelijke termijn, daarvoor gesteld, verstreken, dan kan er aan het vonnis niets meer gewijzigd worden en het wordt uitgevoerd (de boete betaald, enz.).
Gewijsde is het verl. deelwoord, zelfstandig gebruikt, van het oorspronkelijk zwak vervoegde werkw. w ijzen, d. i. vonnis wijzen, thans is het sterk: het “gewezen” vonnis, ter dood “verwezen.”

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gewijsde* definitief vonnis 1295 [CG I4, 2249]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal