Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geweten - (innerlijk besef van goed en kwaad, consciëntie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geweten zn. ‘innerlijk besef van goed en kwaad, consciëntie’
Vnnl. ghe-wete ‘consciëntie’ [1588; Kil.], geweten ‘id.’ [1630; WNT]. In dezelfde betekenis ook ghe-wisse [1588; Kil.].
Ontleend aan Nederduits geweten ‘id.’, naast Hoogduits Gewissen ‘id.’, ontwikkeld uit Middelhoogduits gewizzen, Oudhoogduits giwizzanī, verl.deelw. van wizzan ‘weten’, zie → weten. Het Oudhoogduitse woord was vrouwelijk, maar in het Middelhoogduits werd het aangezien voor een afleiding met ge- van een infinitief, en werd het onzijdig, zoals bij dergelijke afleidingen gebruikelijk is.
Het Nederlandse woord, de genoemde Duitse woorden, en de Nederlandse varianten geweet en het rechtstreeks ontleende gewisse, werden van oudsher vooral gebruikt als weergave van Latijn cōnscientia ‘het zich bewust zijn van morele handelingen’, letterlijk ‘medeweten’. Dit Latijnse woord, gevormd uit → con- ‘met-’ en scientia ‘kennis’ en zelf een leenvertaling van Grieks suneídēsis, is al vroeg in het Middelnederlands ontleend, zie → consciëntie. De vervanging door geweten gebeurde wrsch. onder invloed van de Duitse bijbelvertalingen van de 16e eeuw; desondanks wordt in de Statenvertaling van 1637 nog gesproken van conscientie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geweten [besef van goed en kwaad] {ghewisse, ghewete 1599} < hoogduits Gewissen, zelfstandig gebruikte onbepaalde wijs; van ge- + weten, lett. ‘samen weten’, vertalende ontlening aan latijn conscientia, van con [samen] + scientia [het weten].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

geweten

Er is verwantschap tussen het zelfstandig naamwoord geweten en het werkwoord weten, waarvan het voltooide deelwoord immers ook: geweten luidt. Maar geweten in de betekenis van: bewustzijn van goed en kwaad, is toch niet hetzelfde als het voltooide deelwoord. Men moet teruggaan tot het Latijnse conscientia, waarin con- betekent: samen, mede en scientia: kennis, weten. Letterlijk is conscientia dus: medeweting. Het Duits kent Gewissen, dat in de vorm gewisse bijvoorbeeld in Vondels Gijsbrecht voorkomt. In het vierde bedrijf zegt Gozewijn: ick heb een rein gewisse. Ook komt geweten voor in de betekenis: medeweten. Zo gebruikt altans Hooft het woord. Eigenlijk is geweten dus: het bij zichzelf iets weten en vandaar: zedelijk bewustzijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geweten znw. o., sedert de 16de eeuw, onder invloed van nhd. gewissen ‘geweten’, dat eerst overgenomen was als ghewisse, maar dan de huidige vorm kreeg door hernieuwde beïnvloeding van lat. conscientia: ge + weten, vgl. ook mnd. geweten. Het ohd. giwizzanī v. komt het eerst bij Notker c. 1000 op als vertaling van conscientia, eig. een abstr. van het deelw. giwizzan; het nhd. gewissen is de gesubst. infinitief.

De germ. talen hebben op verschillende wijzen het voor hen onbekende begrip conscientia weergegeven vgl. got. miþwissei en on. samvit naast samvitand en samvizka ‘verstand, geweten’ (vgl. de. samvittigheid, zw. samvete).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geweten znw. o., sedert de 16. eeuw. Gevormd deels naar hd. gewissen o. “geweten”, dat in ’t Oudnnl. ook als gewisse o. is overgenomen, deels naar lat. conscientia “bewustzijn”, letterlijk “mede-(= ge-)we[e]t-ing”. Evenzoo mnd. gewēten. Hd. gewissen is voortgekomen uit den infin. mhd. ge-wiʒʒen (zie weten), waarin het znw. mhd. gewiʒʒen(e) v. “kennis, weten, medeweten, innerlijk bewustzijn, geweten” (< ohd. gewiʒʒenî v. “zedelijk bewustzijn”, dat een vertaling is van lat. con-scientia) is opgegaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geweten o., reeds Ohd. en Ags. vertaling van Lat. conscientia, gev. met cum (z. ge- 2.) en scientia = kennis, een afleid. van het teg.deelw. van scire = weten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gewete s.nw.
Geestelike vermoë om tussen goed en kwaad te onderskei.
Uit Ndl. geweten (ongeveer 1635), 'n afleiding met ge- van weten 'saam weet'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. geweten is 'n leenvertaling van Latyn conscientia 'saam weet', miskien na aanleiding daarvan dat die morele kode wat deur 'n samelewing onderhou word, 'n kollektiewe besluit is.
D. Gewissen (11de eeu).

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

geweten, gaveta, gavéta, geweete, gewete (Sf.): bergruimte (voor gebedenboeken e.d.) in synagogebank; zitplaats (met berging) van vaste synagogegangers | < Port. gaveta: lade.

— Toen liep hij, in een duizel van geluk, naar zijn geweten, heel naar achter, nabij het scheemrend ruim van de Hechal, waar, voor een ogenblik, de Dajan op een afgescheiden dwarsbankje zat, tegen de zwakbeschenen, duisterende muur. (IS. QUERIDO, 1931)

Zie ook sjtat

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geweten (Duits Gewissen)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geweten van weten = kennen, beseffen. Letterlijke vertaling van ’t Lat. conscientia; van cum = mede (ons ge) en scientia = kennis. Het Got. had mid-wissei. Geweten is dus: de mede-wetende, n.1. van onze goede en slechte daden.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

geweten. - “Een gallicisme is het gebruik van geweten in den zin van bewustzijn, in ’t algemeen, zonder de bepaalde toepassing op het besef van goed en kwaad” (Wdb. d. Ndl. Taal 4, 2075). In het Fransch kan conscience aldus gebruikt worden: ons geweten echter niet. || En hij liep morrend, kermend en soms lachend van den eenen kant der kamer naar den anderen, als hadde hij waarlijk het verstand en het geweten verloren, CONSC. 3, 316b.
– Daarom is de samenstelling gewetensgevoel, voor: gevoel van bewustheid, besef, eveneens af te keuren. || De planten ... hebben geen gewetensgevoel als de dieren; ze zijn niet vatbaar voor lijden of vreugde, CONSC. 5, 293a.
– Ook zegt men in het Nederlandsch niet in geweten. Deze uitdrukking, in Zuid-Nederland veel in gebruik, is eene al te letterlijke vertaling van fr. en conscience. In goed Nederlandsch zegt men in gemoede; soms is een ander woord noodig, b.v. eerlijk, oprecht, ernstig, nauwgezet. || Ik acht mij in geweten verplicht er u voorafgaandelijk kennis van te geven (t.w. van een besluit), V. BEERS bij ROOSES, Sticht. d. Vl. Ac. 21. Zij zou het woningsken rein houden en voor het tuintje zorgen. Zij deed het in geweten, SLEECKX 14, 57 (zie ook 5, 50). Ik verlang, dat gij uzelven in geweten afvraagt wat enz., 16, 36. Al is men ook overtuigd, dat men de regelen der spraakleer in geweten bestudeerd heeft, toch enz., CLAES 27. Ik verklaar het in geweten, het wegkappen der buigingsuitgangen is taalbederf! 40.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geweten ‘besef van goed en kwaad’ -> Fries geweten, gewisse ‘besef van goed en kwaad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geweten besef van goed en kwaad 1588 [Kil.] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯(e)id-2 ‘erblicken, sehen’, (ursprüngl. Aorist), Zustandsverbum u̯(e)idē(i)-, nasaliert u̯i-n-d-, Perf. u̯oid-а- ‘habe gesehen, weiß’, woher die Bedeutung ‘wissen’ auch auf andere Formen übertragen wurde; aus der Bedeutung ‘erblicken’ stammt ‘finden’, u̯id-to-s ‘gesehen’, u̯id-ti-, u̯id-tu- ‘das Wissen’, u̯idā, u̯idi̯om, u̯id- ‘Wissen’, u̯eidos- n. ‘das Sehen’; Partiz. Perf. u̯eid-u̯ōt-s, f. u̯idus-ī ‘wissend’.

A. Ai. vetti, vidmási vidánti ‘wissen’ (präsentische Umbildung des Perf. vḗda vidmá), vēdate (ebenso), vidáti (ebenso) ‘wissen’, Perf. véda vidmá, Opt. vidyāt, Partiz. vidvān; av. vaēδa vīdarǝ, Opt. vīdyāt̰, vīdvā̊ ‘wissen’ (die Bedeutung ‘sehen’ in aiwi. vīsǝm ‘habe wahrgenommen’, paiti. vīsǝm ‘wurde gewahr’, fravōizdūm ‘nehmt wahr’); to-Partiz. ai. vitta- ‘erkannt, bekannt’, av. vista- ‘bekannt als’ und ai. viditá- (wohl zur Basis *u̯idēi-); Inf. ai. vidmáne (= gr. ἴδμεναι) ‘wissen’, gthav. vīdvanōi; Kaus. ai. vedayati ‘läßt wissen, kündigt an, bietet an’, av. uzvaēδayeiti ‘läßt wissen’;
In der Bed. ‘finden’: ai. vindáti (vétti, vitté), ávidat, vivéda, vévidat, vittá-, Kaus. vēdayati, av. vī̆δaiti, vī̆nasti, vīvaēδa, vōivīdaiti (Konj.), Kaus. vaēδayeiti ‘läßt erlangen, macht teilhaftig’, Partiz. vista- ‘(vor)gefunden, vorhanden’; die Scheidung von den Formen der Bed. ‘sehen, wissen’ ist nicht ganz scharf durchzuführen, vgl. ai. vindáti ‘weiß’, sbal. gindag ‘sehen’;
arm. egit ‘er fand’ (= ai. ávidat, gr. ἔϝιδε), gtanem ‘finde’; aus dem Perf. *u̯oida umgebildet gitem ‘ich weiß’ (i aus oi; dazu gēt, gitak, gitun ‘wissend, weise’); Nachwirkung des Nasalpräsens(= ai. vindati, ir. finn-, s. u.) vielleicht in arm. gint ‘Gewinn’, wenn aus *u̯ind-;
Gr. εἴδομαι ‘erscheine, scheine, gebe mir den Anschein’; οἶδα ‘weiß’, ἴδμεν, Konj. εἴδω, Partiz. εἰδώς (*ϝειδ-), ἰδυῖα; Aor. εἶδον (ἔϝιδον) ‘sah’, ἰδεῖν (: ai. ávidat, arm. egit), Partiz. ἄ-ιστος, ἰστέον; gr. Ἁΐδης, att. ῞Ᾱιδης wohl ἀ-ϝιδ- ‘unsichtbar, nicht anzusehen’ s. zuletzt Frisk 33 f.; nasaliert ἰνδάλλομαι ‘erscheine, zeige mich; gleiche’;
ebenso kelt. vindo- ‘weiß’ (air. find, cymr. gwynn, gall. ON Vindomagus, -bona);
lat. videō, -ēre ‘sehen’ (von der Basis *(e)idē-, vgl. aksl. viděti, lit. pavydė́ti, got.witan, -aida ‘beobachten’ usw., und mit Tiefstufe *u̯(e)idī̆- der 2. Silbe aksl. Präs. viditъ, lit. pavýdime, lat. vīdi-s-tī, ai. Aor. avēdīt, vēdi-tár-, vḗdi-tum, vidi-tá-; umbr. uirseto ‘visa’ oder ‘visum’, auirseto ‘unsichtbar’: lat. vidēre = tacitus : tacēre), Perf. vīdī (= aksl. vědě), Partiz. vīsus (wie vīsus, -us ‘das Sehen, Anblick’ mit ī für nach vīdī und vīso);
lat. vīsō, -ere ‘besuchen’ (d. i. ‘zu sehen wünschen’), umbr. revestu ‘revisito’ (*u̯eid-s-ō); ähnlich got. gaweisōn, as. ahd. wīsōn ‘besuchen’;
air. ad-fīadat ‘sie erzählen’ (usw.); Komposita unseres Verbs sind do-adbat ‘er zeigt’, do-adbadar ‘wird gezeigt’, as-ind-et ‘erklärt’; Nasalpräsens (s. o. ai. vindáti) nad-finnatar ‘sie wissen nicht’, rofinnadar ‘pflegt zu wissen’ (*u̯i-n-d-nǝ-), as-fēnimm, doaisbēna ‘zeige, zeigt’ (aus *u̯id-nǝ-) mcymr. 1. Sg. gwnn, corn. gon, mbret. goun ‘ich weiß’ (die weiteren brit. Präsensformen, z. B. 2. Sg. mcymr. gwydost, gwdost, 1. Pl. ncymr. gwyddom, sind dagegen vom Perf. ausgegangen); Perf. air. rofetar ‘ich weiß’, rofitir ‘er weiß’ = cymr. gwyr (*u̯id-rai); air. rofess ‘scitum est’ (*u̯id-to-m, vgl. auch fiss, ncymr. gwys ‘das Wissen’ aus *u̯id-tu-s), fess ‘scita’ (Pl. neutr.), mcymr. gwyss, mbret. gous ‘wurde gewußt’; air. toīsech, cymr. tywysog ‘Führer’ (*to-u̯issākos, Ogam Gen. TOVISACI), air. tūus ‘Anfang’, cymr. tywys ‘führen’ (*to-u̯issus, idg. *-u̯id-tus); hierher wohl auch air. fōid- ‘schicken’, z. B. 3. Pl. fōidit (= ai. vēdayati, aisl. veita ds); air. fīado ‘Herr’ (*u̯eidont-s);
got. fraweitan ‘rächen’ (‘animadvertere’), ahd. firwīzzan ‘tadelnd vorwerfen, verweisen’, wīzzan ‘bemerken, achtgeben auf’, as. ags. wītan ‘vorwerfen, tadeln’ (davon aisl. vīti n. ags. wīte, as. wīti, ahd. wīzzi n. ‘Strafe’), got. in-weitan ‘die Verehrung erweisen’; mit auffälliger Bed.-Entw. ags. gewītan ‘fortgehen, sterben’, as. giwītan ‘gehen’, ahd. (Hildebrandlied) giweit ‘er ging’, (Tatian) arawīzan ‘discedere’; got. fairweitjan ‘gespannt hinblicken auf, vielleicht zur Basis auf : -ī̆-, wie sicher die ē-Verben got. witan, -aida ‘auf etwas sehen, beobachten’, aisl. nur Partiz. vitaðr ‘beobachtet, bestimmt’, ags. (be)witian ‘betrachten, bestimmen’; Präteritopräsens got. wait, witum ‘weiß, wir wissen’ (Inf. witan, Partiz. witands Neubildung), aisl. veit vitum (vita, vissa) ‘wissen’, auch ‘bemerken, erforschen, anzeigen, gerichtet sein nach, schauen nach, gehen nach’, ags. wāt, witon (witan, wisse wiste), ahd. weiz, wizzumēs (wizzan, wissa, wessa) ‘wissen’ substantiviertes Partiz. got. weitwōþs ‘Zeuge’ (: εἰδώς, ἰδυῖα ‘Zeuge’); to-Partiz. got. unwiss ‘ungewiß’, ahd. giwis(s), as. ags. wiss ‘gewiß’ (aisl. vissa ‘Gewißheit’); Kaus. aisl. veita ‘gewähren, leisten, helfen; auch Wasser in eine Richtung leiten’, ahd. weizen ‘zeigen, beweisen’; zu ϝιδεῖν scheint als Injunktiv ags. wuton (mit folgendem Inf.) aus *witon ‘laßt uns’ (älter ‘laßt uns zusehen, tendamus’) zu gehören;
lit. véizdmi (für *veidmi nach dem Imper. alit. veizdi = *u̯eid-dhi, vgl. ai. viddhí), veizdė́ti ‘sehen, hinblicken’, pavýdžiu, -výdime -vydė́ti ‘invidere’ (s. o); vom alten Perf.aus apr. waisei, waisse ‘du weißt’ (= aksl. věsi) waidimai ‘wir wissen’, Inf. waist; aksl. viždǫ, vidiši, viděti ‘sehen’, altes Perf. Med. vědě (= lat. vīdī ‘weiß’), präsentisch umgebildet věmь, věděti ‘wissen’; pověděti ‘wissen lassen’ (wohl Umbildung eines Kaus. *u̯oidéi̯ō, sl. *věditi, nach věděti ‘wissen’); izvěstъ ‘bekannt, gewiß’.
B. Nominalbildungen:
Wurzelnomen ai. -vid- ‘kennend, kundig’ (z. B. aśvavid-), av. vīd- ‘teilhaftig’; gr. νῆ-ις, -ιδος ‘unwissend’;
got. unwita, ahd. unwizzo ‘Unwissender’, ahd. forawizzo ‘praescius’, ags. wita ‘weiser Mann, Ratgeber’, gewita ‘Zeuge’, ahd. wizzo ‘weiser Mann’, giwizzo ‘Zeuge’ postverbale en-St.; aberair. fīadu ‘Zeuge’ (*u̯eid-u̯ōt-s) sekundärer n-St.;
ai. vidā́ ‘Kenntnis’, cymr. usw. gwedd f. ‘Anblick, Erscheinung’; ai. vidyā́ ‘Wissen, Lehre’, av. viδya ds.; air. airde n. ‘Zeichen’ (*[p]ari-vidi̯om) = cymr. arwydd m. ds., as. giwitt, ahd. (gi)wizzi n. ‘Wissen, Verstand’, ags. witt ‘Verstand, Besinnung’, got. unwiti n. ‘Unwissenheit, Unverstand’, vgl. auch ahd. wizzī f. ‘Wissen, Verstand, Besinnung’ dazu ahd.gi-, ir-wizzēn ‘achtgeben’ (nhd. Witz m.), mnd. witte f. ds.;
es-St.: ai. vḗdas n. ‘Kenntnis, Umsicht, heilige Schrift’, gr. εἶδος n. ‘Aussehen, Gestalt’, lit. véidas ‘Angesicht’ (zum Stoßton s. u.), aksl. vidъ (serb. vȋd) ‘Anblick, Aussehen’ (aus ehemaligen Neutra), so wohl auch: mir. fīad m. ‘Ehrenbezeigung’, air. fīad (*u̯eidos) mit Dat. ‘coram’, cymr. yngwydd ds., gwydd ‘Anwesenheit’, mbret. a goez, nbret. ac’houez ‘öffenlich’ (‘angesichts’); cymr. ad-wydd ‘grausam’, gwar-adwydd ‘Beleidigung’; weitergebildet in got. unweis ‘unwissend, ungebildet’, fullaweis ‘vollkommen weise’, aisl. vīss, ahd. as. ags. wīs ‘weise’ (*u̯eid-s-o-), ahd. wīs(a) ‘(*Aussehen =) Art, Weise’, ags. wīs(e) ‘Weise, Zustand, Richtung’, aisl. ǫðruvīs ‘anders’, vielleicht auch ἰδέα ‘äußere Erscheinung, Gestalt, Anblick’ (wenn *ϝιδέσᾱ);
gr. ἴδρις, -ιος ‘wissend, kundig, erfahren’, aisl. vitr ‘verständig’;
gr. (hom.) εἰδάλιμος ‘schön von Gestalt’, εἰδάλλεται· φαίνεται Hes., auf Grund eines *εἴδαλο- wozu mit Suffixablaut εἰδωλον ‘Gestalt’, ἀείδελος ‘unsichtbar’; lit. vaidalas ‘Erscheinung’, pavìdalas ‘Gestalt’ (*-elo-); gr. εἰδυλίς, -ίδος “εἰδυῖα, ἐπιστήμων”, ai. vidura- ‘klug, verständig’, lit. pavìdulis ‘Ebenbild’, akiẽs pavydulis, apr. weydulis ‘Augapfel’, got. faírweitl ‘Schauspiel’;
ai. vidmán- m. ‘Weisheit’ (vgl. auch Inf. vidmanē, ἴδμεναι), gr. ἴδμων, -ονος ‘kundig’; ἰδμήν· φρόνησιν Hes.;
gr. ἴστωρ, att. ἵστωρ, böot. ϝίστωρ ‘wissend, kundig; Schiedsrichter’, ἱστορεῖν ‘erkunden’, ἱστορία ‘Geschichte’;
im Balt. gibt es eine Reihe von Worten mit dem Ablaut ēi : ī: lit. véidas (gegenüber serb. vȋd aus *u̯ĕidos), véizdmi, vyzdỹs ‘Augapfel’, išvýsti ‘gewahr werden’, pavydė́ti ‘beneiden’, pavỹdas ‘Neid’, apr. aina-wīdai Adv. ‘gleich’; der Ausgangspunkt scheint das dehnstufige Präsens *u̯ēid-mi.
vielleicht hierher aksl. věžda, aruss. věža ‘Augenlid’ (urslav. vědi̯a, Vasmer 1, 178) und ksl. nevežda ‘Ungebildeter’, aruss. věža ‘Wissender’.

WP. I 236 ff., WH. II 784 f., Trautmann 338, 357 f., Vasmer 1, 176 ff., 192, Frisk 33 f., 451 f., M. Leumann Celtica 3, 241 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal