Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gesticht - (inrichting voor psychiatrische patiënten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gesticht zn. ‘inrichting voor psychiatrische patiënten’
Mnl. gestichte in de algemene betekenis ‘wat gesticht is, bouwwerk’, in stempels ghestichte ‘de gebouwen die de tempel uitmaken’ [1285; CG II, Rijmb.], dine cloestre, dine ghestichte ‘jouw kloosters, jouw gewijde gebouwen’ [1300-25; MNW-R]; nnl. ‘groot aanzienlijk gebouw’ een oud groot Gothisch gesticht [1806-07; WNT], ‘verpleeginrichting, in het bijzonder voor geesteszieken’ [1808; WNT].
Afleiding met het collectiefvoorvoegsel → ge- (sub d) van het werkwoord → stichten ‘oprichten, vestigen’, letterlijk dus ‘het opgerichte geheel’.
Mnd. gestichte, mhd. gestift(e).
Uit de betekenis ‘gewijd gebouw, stichting’ ontwikkelde zich ook ‘gewijd gebied, gebied van een kerkvorst’ in onser kercken ende onses ghestichts van Utrecht ‘van onze kerk en ons bisdom Utrecht’ [1354-1408; MNW], zie verder → sticht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gesticht* [groot gebouw, inrichting voor krankzinnigen] {gestifte, gesticht(e) 1201-1250; als verl. deelw. gestiftoda 901-1000} met klankwettige overgang van -ft > -cht (vgl. graft > gracht), middelnederduits gestichte, middelhoogduits gestifte [idem]; afgeleid van stichten.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gesticht

Gesticht betekent: gebouw, instituut, inrichting. Natuurlijk is ’t woord verwant met het werkwoord stichten: bouwen, oprichten, zorgen dat iets tot stand komt. Dit werkwoord wordt ook figuurlijk gebruikt. Men zegt bijvoorbeeld: onheil stichten, verwarring stichten. Dan betekent het: veroorzaken. Vervolgens wordt stichten gebezigd in de zin van: in zedelijk opzicht bouwen en dus: in de vereiste verheven stemming brengen. Hierbij behoort het woord stichtelijk: treffend, tot godsdienstzin opwekkend, dat ook in andere zin wordt gebruikt, bijvoorbeeld in: ik dank er stichtelijk voor. Gesticht betekent: getroost, in een gewijde stemming gebracht, het tegenovergestelde van onsticht: geërgerd, gekwetst in zijn gevoelens.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gesticht znw. o., mnl. ghestichte, ghestifte, o. v., mnd. gestichte o., mhd. gestifte o. v. ‘gesticht, gebouw’ is een afl. van stichten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gesticht znw. o., mnl. ghestichte (ghestifte) o. v. “gesticht, gebouw, bisdom, werkplaats, het volbrengen”. Van stichten. Evenzoo mhd. gestift(e) v. o., mnd. gestichte o.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gesticht* inrichting voor krankzinnigen 1808 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal