Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gestand - in de uitdrukking gestand doen

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gestand in de uitdrukking gestand doen ‘bestendigheid geven, nakomen’
Mnl. g(h)estant ‘stand, toestand’ in ghesonden J. te Ghent omme te vernemene van den ghestande aldaer ‘J. naar Gent gezonden om te vernemen hoe de toestand daar is’ [1407-32; MNW], ‘stilstand’ in een gheblas of wind, die negheen ghestand noch bliven heeft ‘een windvlaag die niet stilstaat of blijft’ [1470; MNW], dat ghestant van den huse ‘de staat waarin het huis verkeert’ [1479; MNW]; vnnl. de vaste verbinding gestand doen in eerlicke lieden zijn gewoon haer beloften gestant te doen [1635; WNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub b) van het Middelnederlandse ww. standen, variant van staen, zie → staan, in de betekenissen ‘zich bevinden, staande blijven, zich handhaven, etc.’, zie ook → stand 1. Zijn woord, een belofte gestand doen betekent dus letterlijk ‘zijn woord of belofte handhaven, er vastheid aan geven, er bestendigheid aan geven’, dus ‘zijn woord of belofte nakomen, waarmaken’.
Mnd. gestant ‘stand, toestand; bekentenis’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gestand* alleen in de uitdrukking zijn woord, zijn belofte gestand doen [zijn woord nakomen] {1657} waarin gestand een zn. is, vgl. middelnederlands gestant, gestande [stand, stilstand, standvastigheid, toestand, rang, hulp], helpen oft gestant doen, van stand1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gestand znw., in de uitdrukking gestand doen is een znw. mnl. ghestant o. v. ‘stand, toestand, standvastigheid, hulp’, mnd. gestant o. ‘stand, toestand, bekentenis’; zie verder: stand.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gestand znw. o., in de uitdrukking gestand doen < mnl. ghestant o. “stand, toestand, standvastigheid, hulp”. = mnd. gestant o. “stand, toestand, bekentenis”. Zie verder stand. Het bnw. gestand is wsch. uit de uitdr. gestand doen geabstraheerd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gestand. Mnd. gestant is m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gestand bijv., Mnl. ghestande, uit het nw. gestand, Mnl. ghestant, versterking van stand.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

668. Iets gestand doen,

d.w.z. zijn woord, eed, belofte houden, nakomen. Het znw. gestand is afgeleid van het werkwoord gestaan, dat vroeger ook de beteekenis had van blijven staan, voortduren; vandaar beteekende gestand ook het voortduren, de bestendigheid van iets, in welke opvatting het nog in deze uitdrukking voortleeft, die dan eigenlijk wil zeggen: bestendigheid geven aan een gegeven woord, eene belofte en derg., er uitvoering aan geven. Sedert de 17de eeuw is de uitdr. aangetroffen; o.a. bij Pers, 8 b: Luther bleef op zijn platte voeten, te weeten, dat hy zijne leere wilde gestant doen; zie Ndl. Wdb. IV, 1800; vgl. Mnl. Wdb. II, 1701, het 17de-eeuwsche zijn woord staan, en lat. stare promissis, woord houden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal