Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gesprek - (mondeling onderhoud)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gesprek zn. ‘mondeling onderhoud’
Vnnl. gespreck ‘het spreken, conversatie’ in mijn geest met u gespreck te voeden ‘mijn geest te verrijken door het spreken met u’ [1600; WNT wel V], ghespreck ‘mondeling onderhoud, conversatie’ [1607; Kil.], na onderlingh gespreck ‘na onderling overleg’ [1609; WNT vrede].
Veel eerder al in dezelfde betekenis mnl. gesprake, gespreke [1315; MNW gesprake], en nog vnnl. ghespraeck ‘samenspraak, onderhoud’ [1599; Kil.]; deze vormen verouderden in de 19e eeuw.
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub b) van een wortel die met ablaut hoort bij de wortel van het werkwoord → spreken.
Mnl. gespreck met geminatief en umlaut < *pgm. *gi-sprakja. Naast mnl. gesprake, gespreke staan: mnd. gesprake, gespreke; ohd. gisprāchi ‘welsprekendheid, rede, gesprek’, mhd. gespraeche ‘spraakvermogen, het spreken, bespreking’ (nhd. Gespräch ‘onderhoud, bespreking’); < pgm. *gi-sprāki-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gesprek* [mondeling onderhoud] {ghe-sprek 1599-1607, vgl. gesprake 1315} afgeleid van spreken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gesprek znw. o., een jong woord in de plaats van ouder mnl. ghesprāke, ghesprēke v. ‘gesprek, bespreking’, mnd. gesprēke, gesprāke, ohd. gisprāhhi (nhd. gespräch) ‘gesprek’, — Zie verder: spreken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† gesprek znw. o, hoewel formeel identisch met ags. gesprëc o. ‘spraak, spraakvermogen, gesprek’, geen oud woord, maar een eerst nnl. afl. van spreken, die in de plaats is gekomen van Kil. ghespraeck ‘colloquium, dialogus’ = mnl. ghesprâke, ghesprêke v. (o.?) ‘gesprek, bespreking’, ohd. gisprâhhi o. ‘gesprek’ (hd. gespräch), mnd. gesprêke, gesprâke o. ‘gesprek, bespreking’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gesprek ‘mondeling onderhoud’ -> Fries gesprek ‘mondeling onderhoud; het telkens spreken; wijze van spreken’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

gesprek van de stad. Letterlijke vertaling van Engels talk of the town = hét onderwerp van gesprek; Er is bijna een week verstreken, en onze wedstrijd tegen Arsenal is nog steeds het gesprek van de stad. (2006); En, weet u, ik zal het komende jaar het gesprek van de stad zijn. Ik zal het zijn! Ik zal het zijn! O, het zal mij beroemd maken.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gesprek* mondeling onderhoud 1599-1607 [Claes Tw. 11]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal