Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geslepen - (sluw, arglistig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geslepen bn. ‘sluw, arglistig’
Vnnl. gheslepen ‘geroutineerd, slim, doortrapt’ [1599; Kil.], geslepen muyte-makers ‘sluwe muiters’ [1630; WNT muitmaker], ook nog in de oorspronkelijke niet-pejoratieve betekenis ‘schrander, vernuftig’ in de geestighste en gesleepenste volken des aardtboodems ‘de slimste en schranderste volken ter wereld’ [1643; WNT].
Verl.deelw. van → slijpen ‘scherpen, gladmaken’, dat tot in de 18e eeuw voorkomt in uitdrukkingen als zijn vernuft slijpen [1619; WNT slijpen], zijn verstant slijpen [ca. 1720; WNT slijpen]. Geslepen is dus letterlijk ‘met gescherpt vernuft’; door de bijgedachte aan onoprechtheid en oneerlijkheid heeft de positieve betekenis ‘schrander, vernuftig’ het in de 19e eeuw moeten afleggen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geslepen* [met scherp onderscheidingsvermogen voor eigen voordeel] {gheslepen 1599} het tegenovergestelde van bot verstand. Het is het verl. deelw. van slijpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geslepen bijv., eigenl. v.d. van slijpen = gladslijpen; vergel. Fr. poli.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geslepen* sluw 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

666. Geslepen zijn,

d.w.z. slim, listig, goochem (ontleend aan het Hebreeuwsche chochom, wijs) zijn; eig. gezegd van de hersenen of het hoofd, het brein, zooals blijkt uit het 17de-eeuwsche het hoofd, de hersens, het vernuft slijpenVondel, Leeuwendalers, vs. 587 en 166; De Brune, Wetsteen, voorrede, dl 2., d.i. de zinnen scherpen. Het bijv. naamw. staat in dezen zin opgeteekend bij Kiliaen, die het vertaalt door callidus, tritus et versatus in dolis. Vgl. ook het lat. acutus (eng. an acute fellow) en het tegengestelde bot van verstand zijn, botterik, stompzinnig en dergelijke, alle eveneens oorspr. van messen of zwaarden gezegd. In Zuid-Nederland: op iets geslepen zijn, begeerig zijn naar iets (zie o.a. Teirl. 485).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal