Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geschut - (oorlogstuig om mee te schieten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geschut zn. ‘oorlogstuig om mee te schieten’
Onl. gescot (mv.) ‘projectielen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gescot ‘projectiel, pijl’ [1240; Bern.], vp den mur in allen deele setten si ghescutte ‘op de muur zetten zij overal schiettuig’ [1285; CG II, Rijmb.], ghescot ende stene ‘pijlen en stenen’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. geschut ‘vuurwapen(s), kanon(nen)’, in al haer gheschut ... twee of drij bussen ‘al hun vuurwapens ... twee of drie geweren’ [1567; WNT Supp. aflaten], Artillerye of Gheschut [1599; WNT artillerie]; de vaste verbinding grof geschut ‘grote, zware vuurwapens’ [1574; WNT vlotschuit] wordt in het nnl. overdrachtelijk ‘wel erg zware middelen’ in nu begint gij u niet van kleine krijgslisten, maar van grof geschut te bedienen [1806; WNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub b) van een wortel die met ablaut hoort bij de wortel van → schieten. De vormen geschut (vorm met i-umlaut bij geschot) en geschot gaan terug op twee Proto-Germaanse varianten van deze afleiding; ze worden in het Middelnederlands door elkaar gebruikt, zowel in de betekenis ‘schiettuig’ als in de betekenis ‘projectiel’.
Bij mnl. gescut horen: mnd. geschutte; mhd. geschütz(e), geschuzze ‘werptuig, schiettuig’ (nhd. Geschütz ‘geschut’); pgm. <*gi-skut-ja- (met umlautsfactor). Hiernaast staat pgm. *gi-skut-a, waarbij: mnd. geschot, geschōt, ohd. giscoz ‘werptuig’ (nhd. Geschoss ‘projectiel, schot’); oe. gesceot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geschut* [schietend oorlogstuig] {geschot, geschut(te), een collectief begrip: ‘al wat geschoten wordt’, dan ‘pijl en werptuig, schiettuig’ 1285} van schieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geschut znw. o., mnl. ghescut, ghescutte o. ‘werptuig, schiettuig, pijl(en)’, mnd. geschutte ‘werp-, schiettuig’, mhd. geschützt(e), geschuzze o. (nhd. geschütz) < germ. *gi-skut-ja; daarnaast stond *gi-skuta in mnl. ghescot o., onfrank. gescot ‘werpspeer’, mnd. geschot, ohd. giscoʒ, ofri. skot, oe. gescēot, on. skot. — Zie: schieten en schot.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geschut znw. o., mnl. ghescut(te) o. “werptuig, schiettuig, pijl, pijlen”. = mhd. geschütz(e), geschuzze (nhd. geschütz), mnd. geschutte o. “werptuig, schiettuig”. Naast dit *ʒi~skut-ja- staat *ʒi-skut-a-: mnl. ghescot o. (in bet. = ghescutte; de spelling ghescut stelt wellicht soms een dial. uitspraak van ghescot voor), onfr. gescot “jacula”, ohd. giscoʒ o. “werptuig” (mhd. naast geschȯʒ ook geschôʒ, nhd. geschoss), mnd. geschot (en geschôt), ofri. skot, ags. gesceot, on. skot o. “id.”. Vgl. schot, schieten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geschut o., ghescutte, van denz. stam als ’t meerv. imp. van schieten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geschut ‘oorlogstuig waarmee men projectielen afvuurt’ -> Fries geskut ‘oorlogstuig waarmee men projectielen afvuurt (ook fig.)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geschut* oorlogstuig waarmee men projectielen afvuurt 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

663. Grof (of zwaar) geschut.

In eigenlijken zin verstaat men onder grof geschut een vuurmond, waarvan de schacht eene groote middellijn heeft, dus een vuurmond van groot kaliber, dien men in de 17de eeuw een grove bus noemde. Overdrachtelijk wordt deze uitdrukking ook toegepast op de alleruiterste hulpmiddelen, waarvan men zich in woord of daad tegenover anderen bedient; veelal dreigementen en vloeken; ook wel gebezigd, wanneer men groot geld (vgl. grof geld = groot geld) geeft om eene kleinigheid te betalen. Vgl. het hd. grobes Geschütz anfahren (oder auffahren), einem Gegner mit groben Worten entgegentreten. In Antwerpen wordt het ook gezegd van eene menigte (dieren of menschen), die woest komt aanloopen. Zie Ndl. Wdb. IV, 1748; V, 886.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal