Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geschieden - (gebeuren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geschieden ww. ‘gebeuren’
Mnl. in de vorm geschien ‘gebeuren, plaatsvinden, overkomen’, in dat gut dat al uan home geschit ‘het goede dat allemaal door hem plaatsvindt’ [1200; CG II, Servas], dat eme daruor ne was geschien ‘wat hem daarvoor niet was overkomen’ [1220-40; CG II, Aiol]; ook in de vorm gescieden, wrsch. al in alle dinghen die ghescieden binden voorn. mercken ... die salmen berechten bi deser chore ‘alle zaken die gebeuren binnen de genoemde marke zal men berechten volgens deze wet’ [1290; MNW core], in wat danof schuldig es te geschieden ‘wat op grond daarvan moet gebeuren’ [14e eeuw; MNW danof].
Mnl. geschien is afgeleid met het voorvoegsel → ge- van de Germaanse wortel van → schielijk ‘haastig, snel’ en → schicht ‘flits’; de letterlijke betekenis is ‘plotseling gebeuren’. Het werkwoord was oorspr. sterk, zoals nog steeds in het Hoogduits, maar was in het Middelnederlands al zwak geworden. De -d- is als gevolg van hypercorrectie en/of onder invloed van de zwakke verleden tijd ingevoegd, zoals ook gebeurd is in → bespieden. Zie ook → misschien.
Mnd. geschēn (> nzw. ske); ohd. gascehan (nhd. geschehen); oe. (ge)scheōn; zonder voorvoegsel: ofri. schiā; nzw. skje; alle ‘gebeuren’; < pgm. *(gi-)skehan-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geschieden* [gebeuren] {gescien 1236, gescieden 1501-1550} met hypercorrecte d (als ook in spieden berijden), middelnederduits geschen, oudhoogduits (ga)scehan, oudfries schia, oudengels (ge)sceon; buiten het germ. oudiers scuichid [hij beweegt], oudiers scén [schrik], oudrussisch skokŭ [sprong]; verwant zijn schielijk, schicht1, misschien; de grondbetekenis is die van ‘een plotseling gebeuren’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geschieden ww., met jongere invoeging van d uit mnl. ghescien (oorspr. sterk, maar reeds mnl. zwak), mnd. geschēn, schēn, ohd. gascehan, scehan, ofri. schiā, oe. gescēon, scēon (zelden). In dit woord is als oudste betekenis te onderkennen ‘snel, plotseling geschieden’ (vgl. schielijk); vgl. osl. skokŭ ‘sprong’, oiers scuchim ‘weggaan, wijken’, scēn (< *skekno) ‘schrik’. — Zie ook: schicht, schielijk, misschien en scheg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geschieden ww. Met jongere d (vgl. belijden), die reeds laat-mnl. voorkomt, uit mnl. ghescien, ook scien, een oorspr. sterk ww., maar in ’t Mnl. reeds, tenzij oostelijk en onder du. invloed, zwak. = ohd. gascëhan (zelden scëhan; nhd. geschehen), mnd. (ge)schên, ofri. schiâ, ags. (ge)scêon (zeldzaam), (de. zw. ske uit ’t Mnd.) “geschieden”. Vgl. misschien. Verwant zijn schicht en schielijk. De oudere bet. van wgerm. *ʒi skehan is “plotseling, schielijk gebeuren” en de grondbet. van den wortel “zich snel bewegen”. Verwant zijn ier. scên “schrik” (*sqaq-no-), scuchim “ik wijk”, obg. skočiti “springen” (ook gr. kekẽnas· lagōoús. Krẽtes Hes.?); andere mogelijke verwanten nog bij behagen, schoen, schooien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geschieden. Over de d-vorm zie nog belijden Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geschieden ono.w., Mnl. gescien + Ohd. gascehan (Mhd. en Nhd. geschehen), Ags. gescéon, Ofri. schiá + Oier. scuchim = ik ga weg, Osl. skokŭ = sprong: Idg. wrt. skeq. Het was eerst sterk: in Mnl. gescien is h uitgevallen gelijk steeds tusschen klinkers, en in Nndl. is d ingeslacht, wellicht onder invloed van het zw. imp. (z. schicht, schikken en schoen).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geschieden (wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet) (vert. van Latijn quod tibi fieri non vis, alteri ne feceris)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geschieden van den Germ. wt. skeh = gaan, vgl.: Got. skewjan = gaan; Ohd. scehan = snel gaan; waaraan ons schicht, schichtig, schielijk herinnert. Ook schoe(n) leidt men van dezen wortel af. – Geschieden (in ’t Mnl. gescien voor gescihen, waarin later de d is ingelascht) ziet dus op het voorbijgaan, op het zich voordoen van een of ander voorval. Ook schikken behoort als caus. (tevens intens., de h wordt k) bij dezen stam: het bet.: doen gaan, in orde brengen om te doen gaan, regelen, ordenen, klaar maken; vgl. geschikt en beschikken. (Het Hgd. schicken bet. zenden, en dit is letterlijk óók: doen gaan; zie Zenden).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geschieden, † schieden ‘gebeuren’ -> Fries geskiede ‘gebeuren’; Zweeds ske ‘gebeuren’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands (die) geskied ‘gebeuren; gebeurtenis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geschieden* gebeuren 1236 [CG I1, 21]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2581. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

In bevestigenden zin komen deze woorden voor in Mattheus VII vs. 12 en Luc. VI, 31: En gelijk gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks; mlat. quod tibi vis, mihi fac, quod non tibi vis mihi non fac; non facias aliis hoc quod fieri tibi non vis (Werner, 58; 83); Brederoo I, 292, vs. 572: Dat ghy niet wilt dat u gheschiet, en doet sulcks an een ander niet; De Brune, 139:

 Al wat ghy wilt dat u gheschije,
 Doet dat een ander van uw zije.

V.d. Venne, 198: Gaet juyst voor, als je selfs soudt willen naerkomen. Zie verder Harrebomée III, 19; Zeeman, 156; Wander V, 389: Was du nicht willst, das dir geschicht, das thu auch einem andern nicht.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kek-, skeg- ‘springen; lebhafte Bewegung’

Gr. κεκῆνας· λαγωούς. Κρῆτες Hes. (‘Hase’ als ‘Springer’);
air. scēn ‘Schrecken’ (*skek-no-); scochid, jünger scuchid (*skoketi) ‘weicht, geht fort, geht zu Ende’ (Konj.-St. scess-, Perf. scāich ‘ging fort, war vorüber’); di-ro-uss-scoch- ‘übertreffen’ (*’hervorspringen’), cymr. ysgogi ‘to stir’, bret. diskogella ‘schütteln’;
ahd. scehan st. V. ‘eilen, schnell fortgehen’, mhd. nhd. geschehen, ags. scēon schw. V. ‘geschehen, eilen’, mhd. schehen schw. V. ‘schnell einherfahren, eilen’, ahd. skihtīg ‘scheu’ (got. skōhsl n. ‘böser Geist, Unhold’ als ‘einherfahrend’ oder ‘schüttelnd’ hierher?); Faktitiv mhd. schicken (‘vonstatten gehen lassen’) ‘bereiten, ordnen, senden’, nhd. schicken; ahd. gesciht ‘Ereignis’, nhd. Geschichte, mhd. schiht ‘Anordnung, Schicht (bei Bergleuten, und sonst)’; mit gramm. Wechsel: aisl. skaga ‘hervorspringen, hervorstechen’, skagi m. ‘Landzunge’, dehnstufigskōgr m. ‘Wald’; ags. tōscecgan ‘sich scheiden’, sceaga m. ‘Gebüsch’ (aus ‘Wald’); auch aisl. skegg n. ‘Bart’ (*skaggja-), ags. sceagga ‘Haupthaar’, aisl. skeggja f. ‘Streitaxt’ (vgl. nhd. Barte ds.);
ksl. skokъ m. ‘Sprung’, Perfektiv aksl. skočiti, Imperf. skakati ‘springen’; mit Alternation sk:ks lit. šókti ‘springen’, lett. sâkt ‘anfangen’, lit. šankìnti ‘springen machen’.
Auslautvariante auf -g-: skeg- ‘eilen, springen, schütteln’ (= ‘springen machen’) in: ai. khajati ‘rührt um’ (Dhātup.), khája- m. ‘Gewühl’, khája-, khajaka- m., (lex.) khajā f. ‘Rührstock, Butterstößel’; aisl. skaka st. V. ‘schwingen, schnitteln’, ags. sceacan ‘schütteln (engl. shake); eilen, weggehen, fliehen’; as. skakan st. V. ‘weggehen, entfliehen’ (nd. schacken ‘schütteln, rücken’), ahd. unt-scachōndes ‘fluctivagi’; ahd. scahho m. ‘Vorgebirge’, mhd. schache m. ‘Stückeinzelstehenden Waldes’, nhd. bair. schweiz. Schachen ds., aisl. skekill ‘Landzunge’.
fraglich ist Zugehörigkeit von afries. skāk m. ‘Beute, Raub’, ahd. scāch m. ‘Räuberei, Raub’, ags. scēacere, ahd. scāhhari ‘Räuber’, nhd. Schächer (eigentlich ‘schweifen, oder mit dem Raub laufen’?).

WP. II 556 f., Trautmann 262.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal