Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gentleman - (heer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gentleman [heer] {1824} < engels gentleman, van gentle < oudfrans gentil [nobel] < latijn gentilis [behorend tot hetzelfde geslacht, in me. lat.: van voorname geboorte, beschaafd, elegant], van gens (2e nv. gentis) [geslacht, afstamming, volksstam], verwant met genusjent.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gentleman s.nw. Ook verafrikaans tot jentelman en jintelman.
Opgevoede, fynbeskaafde man.
Uit Eng. gentleman (1386).
Eng. gentleman kom ook voor in Ndl. gentleman (1824).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gentleman: “man(spers.); eerbare man, heer”; Eng. gentleman. Afr. wv. jentelman/(minder besk.) jintelman, uitspr. en mv. -s wys op ’n mate v. inburgering.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gentleman (Engels gentleman)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

gentleman [dzjentulme:n] zich wellevend en fatsoenlijk gedragend manspersoon, heer.

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Gentleman (Engelsch; spreekt uit: dzjéntlmen) beteekent in Engeland den hoogeren middenstand tusschen den hoogen adel en den gewonen middenstand, dus: baronets, groothandelaren, fabrikanten, kunstenaars, geleerden, enz., in ’t algemeen: personen, die op ontwikkeling en onafhankelijke positie aanspraak mogen maken.
In het dagelijksch leven echter ondergaat de beteekenis van het woord verschillende wijzigingen; nu eens noemt men een gentleman iemand, die de wetten der wellevendheid (étiquette) en beschaving nauwkeurig in acht neemt, dan weer ieder man van een eerlijk en open karakter. Ook spreekt men met dit woord de vergadering aan, zooals bij ons met: “Mijne Heeren!” Het bijvoegl. naamw. is gentlemanlike. – In ’t Fransch heet een gentleman een gentilhomme.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

gentleman zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = echte heer, nette kerel, ware heer, keurige man, edele heer, man van eer. Als echte heer houdt hij steevast de deur voor vrouwen open.

gentleman- voorv. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = hoffelijk, bestaafd, welgemanierd, wellevend, edelmoedig. Schrijver Michel van der Plas stond ook bekend als hoffelijk verslaggever.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gentleman heer 1824 [WEI] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

gentleman, plural gentlemen ['(d)ʒɛntəlmɛn, -mən] Koenen 1940; Koenen 1974; Van Dale 1976. “De gentlemen-drukkers van Europa. Hun huis staat in Groningen. [...] Een afspraak is bij ons een afspraak. Vandaar dat wij ons gentlemen durven noemen.” (1910126). Compounds/derivations: gentleman-drukker. Loanword from English gentleman n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal