Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geniep - (het verborgene)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geniep zn. ‘het verborgene’
Nnl. alleen in de verbinding in het geniep ‘stiekem, achterbaks’, bijv. in 't gniep of in 't verhoolen [1736; WNT], in 't geniep, als 't niemand ziet [ca. 1850; WNT].
Afleiding met → ge- van een wortel die ‘duister(nis)’ moet betekenen, letterlijk betekent in het geniep dus ‘in het duister’.
Westfaals im nepen “bij nieuwe maan”, dus ‘in het donker’; oe. genip ‘nevel, mist’, genīpan ‘donker worden’; got. ganipnan ‘bedroefd worden’.
Verdere etymologie onduidelijk. Misschien verwant met Litouws nibras ‘zwarte kever’.
geniepig bn. ‘stiekem, achterbaks’. Nnl. foei, dat 's geniepig! [1782; WNT], katten zijn veel minder valsch en geniepig dan menschen [1857; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig van geniep, met de betekenis van de vaste verbinding in het geniep.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geniep* de uitdrukking in het geniep [heimelijk] {1736} betekent eig. ‘in het duister’, vgl. oudengels (ge)nipan [donker worden], genip [mist], middelnederduits nepen [nieuwe maan]; daarnaast gotisch ganipnan [bedroefd worden]; geniep is een niet-gediftongeerde vorm naast knijpen, nijpen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

In ’t geniep

De uitdrukking in het geniep moet in het algemene Nederlands zijn overgenomen uit een dialect, waarin de ie niet tot ij is geworden. Welk dialect weten wij evenwel niet. Men denkt onwillekeurig aan verwantschap met nijpen en knijpen en aan een uitdrukking als: de kat in het donker knijpen. Maar langs die weg moeten wij de oplossing niet zoeken. In het geniep betekent: in het verborgen, in het donker. Het Angelsaksisch kende het werkwoord nipan: donker worden en het zelfstandig naamwoord genip: wolk, duisternis. Van de uitdrukking in het geniep is afgeleid: geniepig in de zin van: achterbaks, stiekem, tersluiks, gluiperig. Het is duidelijk dat alles wat in het duister geschiedt de naam krijgt van laaghartigheid, maar dat hoeft natuurlijk niet waar te zijn. Als Rudolf van Brammen in het geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf, bedoelt Hildebrand alleen: zonder dat anderen het zagen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geniep znw. o., ofschoon niet mnl. noch bij Kiliaen overgeleverd, toch een oud woord, waarin de germ. ī onveranderd gebleven is (vorm van de kusttaal), vgl. oe. nīpan, genīpan ‘donker worden’, genip ‘nevel, mist’, mnd. nepen ‘nieuwe maan’, got. ganipnan ‘bedroefd worden’.

De etymologie is duister. Men heeft vergeleken lat. niger ‘zwart’ (Bezzenberger BB 5, 1880, 172), maar ook lit. nìbras ‘zwarte mestkever’ (v. Grienberger SBAW Wenen 1900, 89), zelfs bij operz. naiba ‘schoon, goed’, iers nōeb, nōib ‘heilig’ (Uhlenbeck PBB 27, 1902, 120). — Misschien toch eerder een intern germ. ontwikkeling, die haar uitgangspunt in de groep van nijpen kan hebben: ‘samengeknepen; eng, nauw; donker’. Het nnl. geniep wekt althans associaties met nijpen op. FW 188 wijst zelf al op oostfri. gnepen ‘plagen, sarren, twisten’, dat stellig tot de groep van nijpen en knijpen behoort; hij denkt aan invloed daarvan; misschien is hier eerder aan verwantschap te denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geniep znw. o., niet bij Kil. Toch een oud woord; uit een dialect, waar î niet gediphthongeerd is. Vgl. ags. (ge)nîpan “donker worden”, genip o. “nevel, mist, wolk”, got. ganipnan “bedroefd worden”. Buiten ’t Germ. hierbij misschien lit. nìbras “zwarte kever” (onzeker). De combinatie met ier. noeb “heilig”, operz. naiba- “mooi, goed”, waarbij men uitgaat van een wortelbet. “glanzen”, is te hypothetisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geniep o., alleen in Ndl., wellicht dial. voor *genijp + Ags. nípan = donker worden, genip = mist, Go. ganipnan = bedroefd worden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geniep ‘geheim’ -> Fries genyp (yn it genyp) ‘geheim’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geniep* geheim 1736 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

658. In het geniep,

d.w.z. in het verborgen, heimelijk, ter sluik, altijd met het denkbeeld van iets ondeugends of gluiperigs; vandaar ook in het Zaansch gniepen, op verraderlijke wijze pijn doen (Boekenoogen, 1312). Dit znw. geniep is verwant met het angs. wkw. (ge)nîpan dat donker worden beteekent, en met het znw. genip, nevel, mist, wolk. De uitdrukking wil dan eigenlijk zeggen in het donker. Wellicht mag vergeleken worden het Westphaalsche im nepen, bij nieuwe maan, dus in den donker; zie het Ndl. Wdb. IV, 1537; Franck-v.Wijk, 188. In de 18de eeuw is de uitdr. het eerst in de litteratuur aangetroffen. De Vlamingen zeggen hiervoor in 't duikerken; de Brabanders in 't genip en de Kempenaars in 't genipt; zie Schuermans, 109 b en Bijv. 94 a; Waasch Idiot. 247 b; Antw. Idiot. 469; in 't genipt, in 't geniep; 1709: het in 't genipt hebben, geveinsd zijn. In 't fri.: yn 't genyp.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal