Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gendarme - (marechaussee, politiesoldaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gendarme zn. ‘marechaussee, politiesoldaat’
Vnnl. gensdarme ‘soldaat, voetknecht’ [kort na 1515; MNHWS], gendaerme ‘soldaat, voetknecht’ [1548; WNT Aanv.]; nnl. gendarmes (mv.) ‘rijkswachters’ [1846; WNT intijds], gendarme ‘gewapende landruiter ter handhaving van de openbare veiligheid, politiesoldaat’ [1847; Kramers], twee gendarmen ‘twee rijkswachters, marechaussees’ [1854; WNT verbazing], gendarms (mv.) ‘id.’ [1891; WNT tokker].
Ontleend aan Frans gendarme [1440-75; Rey], een samentrekking van gens d' armes ‘krijgsvolk’, letterlijk ‘lieden met wapens’ [begin 14e eeuw; Rey], van gens ‘lieden, personen’ en arme ‘wapen’. Gens [eind 10e eeuw; Rey] is het meervoud van het Oudfranse woord gent ‘geheel van personen’ < Latijn gēns, meervoud gentēs ‘geslacht, volk’, bij de stam van het werkwoord gignere ‘verwekken, voortbrengen’, en verwant met → kunne. Arme ‘wapen’ [1080; Rey] gaat terug op Latijn arma (onzijdig mv.) ‘wapens’, zie → alarm. In Frans gendarme is de -s van gens weggevallen, omdat men dat in de samentrekking niet meer als meervoud herkende.
In het Frans duidde gendarme oorspr. een krijgsman te paard aan, in 1790 werd het woord gebruikt ter vervanging van maréchaussée, en met deze betekenis is het in België overgenomen, met een tussenpoze van 1815-30, toen net als in Nederland ook in de Belgische provincies het woord → marechaussee werd gebruikt. Na de politiehervorming aldaar in de jaren 1990, waarbij de Rijkswacht (de gendarmerie) werd afgeschaft, wordt het alleen in de spreektaal nog gebruikt. In het NN is het woord ongebruikelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gendarme [politiesoldaat] {gensdarme [soldaat, voetknecht] ca. 1740} < frans gensdarme, van gens d'armes [lett.: mensen van wapens], vgl. gens d'épée, gens de guerre [krijgers]; het frans gens, mv. van gent [volk, soort] < latijn gentem, 4e nv. van gens [geslacht, volk], van gignere (verl. deelw. genitum) [verwekken]; het frans armes < latijn arma [uitrusting, wapens] (vgl. arm1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gendarme znw. m. (zuidnl.) naam voor de marechaussee < fra. gens d’armes (sedert de 14de eeuw) ‘krijgsvolk’, maar op het eind der 18de eeuw gebruikt ter vervanging van het woord marechaussee en met deze bet. in België overgenomen (vgl. J. Grauls Hand Comm. Dial. en Top. 11, 1937, 339-363).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

genderm (zn.) gendarme; Nuinederlands gensdarme <1515> < Frans gendarme.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schanderm, sjelderm, zn.: politie, gendarme. Fr. gendarme uit het meervoud gensdarmes ‘wapenlieden’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

gendarme, zn.: knoopkruid. De bloemhoofdjes zouden op gendarmemutsen lijken.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gendarme s.nw. (in Frankryk en enkele ander Europese lande)
Afdeling van die polisie wat soos soldate georganiseer, bewapen en geoefen word.
Uit Ndl. gendarme (1515 in die vorm gensdarme 'soldaat, voetkneg').
Ndl. gendarme uit Fr. gensdarme, met lg. uit gens d'armes 'mense van wapens'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gendarme (Frans gendarme)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

gendarm, gendarmezweet De borrelnaam gendarm werd aan het begin van deze eeuw in Gent gehoord. Het Gentse dialectwoordenboek geeft als voorbeeldzin een halve gendarm voor ‘een halve borrel’. Een nadere toelichting ontbreekt. De borrelnaam gendarmezweet is onlangs gesignaleerd in Zuidwest-Vlaanderen. Een informant uit Oostduinkerke schreef dat deze naam spottend is bedoeld. ‘In een borrelglaasje gaat maar weinig jenever en bij de gendarmen is zweet slechts in kleine hoeveelheden te vinden, vandaar.’ Om dezelfde reden wordt een borreltje wel commiezenzweet genoemd. Met commies wordt in dit geval ‘douanier’ bedoeld. Van een dronkeman zei men vroeger hij is vierde commies. Het Frans kent de term sueur de cantonnier voor ‘iets heel zeldzaams’ (letterlijk ‘stratenmakerszweet’). Dezelfde betekenis wordt in het Duits uitgedrukt met Maurerschweiß (letterlijk ‘metselaarszweet’), dat daarnaast ook ‘goedkope jenever’ betekent.
Vergelijk diendertje, politiepet en sjampetter.

[Liev.-Coopm. 439; Nav. 3:286]

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gendarme rijkswachter in België 1847 [KKU] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal