Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gemoedelijk - (gezellig, goedaardig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gemoedelijk bn. ‘gezellig, goedaardig’
Vnnl. gemoedelijk ‘ernstig van gemoed, nauwgezet’ [1675; WNT voorbereiding]; nnl. ‘id.’ [1708; Sewel NE], ‘door het hart en de gevoelens ingegeven’ in het gemoedelyk preeken van een godsdienstig leeraar [1787; WNT]. De huidige betekenis ‘goedig, goedaardig’ is veel jonger: een gemoedelijke man [1840; WNT Aanv. dilemma], een gemoedelijken glimlach [1863; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -lijk van → gemoed.
Nhd. gemütlich ‘gezellig, behaaglijk; gemoedelijk, ongedwongen’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† gemoedelijk bnw., sedert het laatst van de 18e eeuw. Naar hd. gemütlich.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gemoedelijk (Duits gemütlich)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gemoedelijk genoeglijk, gezellig 1889 [WNT z.j.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal