Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gemoed - (zetel van gevoel en van stemmingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gemoed zn. ‘zetel van gevoel en van stemmingen’
Mnl. g(h)emoede ‘gunst’, in te comene in dat gods gemoet ‘in Gods gunst te komen’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘wil, wens, verlangen’, in te haeren gemuede ‘volgens haar wens’ [1324; MNW], ‘toestemming’, in hi en had des heren ghemoede ‘hij had de toestemming van de landsheer niet’ [1401; WNT], ‘gezindheid, gevoel’ in een oetmoedich ghemoede ‘een ootmoedige gezindheid, een ootmoedig gemoed’ [1461; MNW].
Afleiding, met het voorvoegsel → ge- (sub c, in collectieve betekenis), van mnl. moet ‘gemoedsbeweging, hartstocht, innerlijk, wil, verstand’, zie → moed. De letterlijke betekenis is dus ‘het totaal van gedachten en gewaarwordingen’; daaruit ontwikkelden zich betekenissen als ‘wil, wens, verlangen’, en ‘goede gezindheid, gunst’, maar ook de betekenis ‘zetel van de gewaarwordingen’, vooral van het gevoel in tegenstelling tot het verstand.
Os. gimōde ‘overeenstemming van gevoelen’ (mnd. gemōde, gemōte ‘gemoed, denkwijze, wil, moed’); ohd. gimuati ‘wat met de wens overeenstemt, het aangename, genade’ (mhd. gemüete, gemuote ‘stemming, verlangen’, nhd. Gemüt ‘gemoed, hart, gevoel’); oe. gemēde ‘eenheid van gevoelen’.
Het oorspr. meervoud mnl. ghemoede, vnnl. gemoed is g(h)emoeden, een vorm die nog tot in de 18e eeuw voorkomt. Het huidige meervoud gemoederen [1595; WNT verstrikken] is ontstaan naar analogie van enkele andere collectieve zn., zie → gelid met meervoud gelederen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gemoed* [innerlijk] {gemoet 1285} collectief van moed, dat middelnl. o.a. ‘gemoedsbeweging’ betekent. De betekenis is dus ‘het totaal van de gemoedsbewegingen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gemoed znw. o., mnl. ghemoede o. ‘gezindheid, stemming, genegenheid, wil, wens’, mnd. gemōde, gemōte ‘gemoed, denkwijze, wil, moed’, ohd. gimuati ‘het aangename, genade, voortreffelijkheid’ (nhd. gemüt). Een collectief van moed en dus eig. ‘het totaal van de bewegingen van de ziel’. Het ohd. gimuati is te vergelijken met het adj. ‘wat met zin en wens overeenstemt’ en vandaar ‘aangenaam’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gemoed znw. o., mnl. ghemoede o. “gezindheid, stemming, genegenheid, wil, wensch”. = ohd. gimuati o. “het aangename, genade, voortreffelijkheid” (nhd. gemüt), mnd. gemôde, gemôt(e) o. “gemoed, denkwijze, wil, moed”. Gemoed : moed = mnl. gheberghe (zie gebergte) : berg.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gemoed. Ohd. gimuati is bnw. ‘aangenaam, naar iemands wil’, dat ook gesubstantiveerd voorkomt = ags. gemêde ‘aangenaam’, als znw. o.: ‘wat aangenaam is, overeenstemming’ = os. gimôdi o. ‘verzoening, bevrediging’. Mhd. gemüete o. ‘gezindheid, gemoed’, waaraan ge- collectieve bet. geeft, is een jongere vorming. Er is reden om ook in het Mnl. twee woorden ghemoede te onderscheiden: 1. ‘genegenheid, wil, wens’ = ohd. gimuati znw.; 2. ‘gezindheid, stemming’ = mhd. gemüete. Nnl. gemoed is de voortzettingvan het 2e woord. Braune PBB. 43, 356 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gemoed o., Mnl. gemoede, Os. gimôdi + Ohd. gimuoti (Mhd. gemüete, Nhd. gemüt), Ags. geméde, collectief van moed = het binnenste.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

gemootj, bn.: geluimd. Voor Ndl. bn. gemoed ‘welgezind’, afl. van moed ‘gemoed, stemming’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gemoed. Hier heeft ge een collectieve bet. (vgl.: gebladerte) en moed is de stemming van onze ziel (zie Deemoed); het woord duidt dus de gezamenlijke stemmingen van ons binnenste aan: een vroolijk gemoed.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

gemoederen. - Naar fr. cœurs. Op de volgende plaats is het mv. gemoederen fout, omdat ieder mensch slechts één gemoed heeft. || Gij moet God prijzen met dankbre gemoederen, DAEMS, Ged. 11.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gemoed ‘innerlijk’ -> Fries gemoed ‘innerlijk’; Negerhollands gemoed, gemoet, gemud ‘innerlijk’; Papiaments hemut ‘innerlijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gemoed* innerlijk 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal