Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geleding - (het verbonden-zijn van delen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geleed bn. ‘met onderling verbonden delen’
Mnl. geledet ‘met ledematen, voorzien van leden’ [1240; Bern.], een visch ... ghehuut ende gheleet als die paeldrinc ‘een vis met een vel en de bouw van de paling’ [14e eeuw; MNW], ghi sijt gheleedt na Gods lede ‘gij zijt voorzien van ledematen naar het voorbeeld van Gods leden’ [ca. 1400; MNW smeden]; nnl. geleed of gewerveld [1772; WNT zijtak], het ligchaam is lang uitgerekt, week en met ringen, doch met geene gelede voeten voorzien ‘maar niet voorzien van gelede voeten / poten’ [1831; WNT uitrekken], gelede dieren (zijn) alle ongewervelde dieren met een geleed lichaam en gelede pooten [1857; WNT], in den grond bevestigd door een geleden wortelstok [1862; WNT].
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub e, in de betekenis ‘voorzien van’) van mnl. lede, variant van → lid 1 ‘lichaamsdeel, onderdeel’.
In het Middelnederlands betekent het vooral letterlijk ‘voorzien van ledematen; (als mens) gebouwd’, en wordt meestal een bepaling toegevoegd. Pas in het Nieuwnederlands wordt het als biologische vakterm toegepast met de huidige, absolute betekenis.
geleding zn. ‘verbinding; onderdeel van geleed geheel’. Vnnl. geleding ‘gewricht’, in wanneer die geledinge los gemaeckt is, en het Been uyt sijn gelidt schiet ‘als de verbinding (het gewricht) losgemaakt is, en het bot uit de kom schiet’ [1645; WNT gewricht]; nnl. ‘verbinding, verbonden deel’ de geleding der voeten en handen [1778; WNT voeteuvel], de toren heeft vijf geledingen [1907; WNT vlechtwerk]; overdrachtelijk ook ‘indeling, onderdeel’, bijv. in de drang naar ordening en klare geleding [1946; WNT Aanv. passioneel], alle geledingen van de kerkelijke hierarchie [1947; WNT vicaris]. Afleiding, met het achtervoegsel → -ing, van geleed, of rechtstreeks afgeleid, met het voorvoegsel → ge- (sub e, in de betekenis ‘voorzien van’) en het achtervoegsel → -ing, van het zn.lid 1 (mv. leden) ‘lichaamsdeel, onderdeel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geleding* [het verbonden-zijn van delen] {1690} jonge vorming naar geleed (vgl. lid1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geleding znw. In ’t Nnl. kunstmatig gevormd van lid I of van geleed < mnl. ghelēdet, gheleet “membratus”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geleding, geleed v. resp. bijv., afgel. van lid, met e uit i in open lettergreep.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geleding ‘verbinding van verschillende delen’ -> Javaans gelitan ‘verbinding; gewricht; (verouderd) samenhang’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geleding* het verbonden-zijn van delen 1690 [WNT wade II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal