Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gelebek - (vogelsoort)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ge’lebek (de, -ken, -s), een soort dikbekje (vinkachtige zangvogel) waarvan het mannetje grijs is met een gele snavel (Sporophila schistacea longipennis). Frank heeft twee vogeltjes. De één is een gelebek. Die is licht bruin en zijn bek wordt al een beetje geel. Hij zingt al mooi (A. de Vries 1957 (6): 6). - Etym.: In Enc.Sur. (634) en bij Haverschmidt (411): geelbek.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal