Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gekheid - in de uitdrukking alle gekheid op een stokje (aanmaning serieus te zijn]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gek zn. ‘dwaas; krankzinnige’
Mnl. (zn.) ghec ‘dwaas’ [1350-1400; MNW-R], (zn.) gec ‘zot, dwaas’ [1410; MNW].
De oorsprong van het woord staat niet vast. Gec zou een klanknabootsing van de geluiden van een dwaas kunnen zijn, zie ook → giechelen. Misschien verwant met het verouderde zn. gek ‘draaibare kap op schoorsteen’; Nielsen verbindt gek met Noors (dial.) geiga ‘waggelen’ en Duits (dial.) geigen ‘heen en weer bewegen’, afleidingen van Oudhoogduits gīga ‘vedel’ (zie → giek 2). Beide woorden gek zouden dan gebaseerd zijn op de grondbetekenis ‘instabiel’, wat echter niet erg waarschijnlijk is.
Mnd. geck ‘nar’, (bn.) ‘dwaas, gek’; mhd. gecke, gec, ook bn. (nhd. Geck ‘fat, dandy’ en (verouderd) ‘zot, dwaas’); ne. vero. geck ‘onnozele hals’; nzw. gäck, nde. gjæk.
Teuchert (1972) meent dat het woord Geck in de Brandenburgse Mark overgenomen is van Nederlandse kolonisten. Daartegenover staat de opvatting dat het oorspronkelijk een Nederduits woord was met de betekenis ‘hofnar’, dat pas in de 14e eeuw in het Middelnederlands doordringt. Daarnaast bestonden zuidelijk Opperduits gagg, gaggel, gagger, spotwoorden voor een dwaas die onverstaanbare klanken produceert. Deense en Zweedse vormen zijn uit het Nederduits ontleend, terwijl het onduidelijk is of het inmiddels verouderde Engels geck ‘onnozele hals’ uit het Middelnederduits dan wel (volgens Kluge21) uit het Middelnederlands is ontleend.
gek bn. ‘dwaas; krankzinnig’. Mnl. gec ‘dom, dwaas’ [1300-25; MNW-R]. Net als in het Duits is wrsch. ook in het Nederlands het bn. in predicatief gebruik uit het zn. ontstaan, hoewel het omgekeerde niet uitgesloten kan worden, ook gezien de oudere attestaties van het bn.gekheid zn. ‘dwaasheid; dolheid; grap’. Mnl. ghecheyt ‘dwaasheid, domheid’ [1399; MNW-P], Dese ghecheit mach wel raserie of woedinghe heten ‘deze gekte noemt men ook wel razermij of dolheid’ [1437; MNW-P], der werlt wijsheit is ghecheit voor gode ‘de wijsheid van de wereld is dwaasheid voor God’ [1437; MNW-P]; nnl. gekheid ‘grap, scherts’ [1785; WNT]. Afleiding van gek met het achtervoegsel → -heid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gekheid* in de uitdrukking alle gekheid op een stokje [aanmaning serieus te zijn] {1881; ouder alle jok op een stok, (jok [grap]) 1733} slaat op de zotskolf, die de nar traditioneel droeg.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

635. (Alle) gekheid op een stokje!

d.w.z. ‘gekheid of scherts ter zijde! laat ons de zaak in ernst behandelen! Zegswijze oorspronkelijk zinspelende op den gekstok of de marot der narren, en dus eigenlijk eene vermaning tot den gek of nar gericht om zijne dwaasheden vóór zich te houden en ernstig te zijn, doch later in ruimere toepassing ook tot anderen gezegd, wier gekheid of dwaasheid bij die van een nar vergeleken wordt’; Ndl. Wdb. IV, 955 en 959. Vroeger zeide men ook alle jok op een stok (o.a. Hopm. Ulr. bl. 73 vs. 5); alle gekken (ww.) op een stokje! (o.a. in Led. Uren, 258); alle gekken op een stok (in de Gew. Weuw. I, 23) en volgens Tuinman I, 373: alle gekken op een einde (hem schijnt op een stokje onbekend), waarmede te vergelijken is eene plaats uit de Klucht v.d. Pasquil-maecker, 11: Maer kom we sullen daer een voutje by slaen. Alle jock op een stock, alle gecken op een eynt en jy voor aenSchuermans, 322 b; De Bo, 1105 a en Ndl. Wdb. XI, 241; III, 4026..

Het is mogelijk, dat de in het Ndl. Wdb. gegeven verklaring de juiste is, ofschoon men toch eerder verwacht zou hebben, dat iemand tot den nar zeide: ‘alle gekheid op uw stokje!’ Vergelijken we evenwel de Zuidndl. uitdr. al lachen op een stoksken gebonden, d.i. alle gekscheerderij daar gelaten, en alle gekheid, alle konten op een stokje gebonden; alle lachen op een ende en alle zotten op 'nen kruiwagenWaasch Idiot. 377 a; De Cock1, 199. en het Groningsche toevoegsel en 't stokje in 't vuur (Molema, 117 a), dan is het niet onwaarschijnlijk dat de uitdr. wil zeggen: rol nu uw gekheid maar op, berg ze maar weg (vgl. Jord. 248: Alle gekheid onder 't zerkje). Vgl. hiermede L.v. Deyssel: Maar alle gekheid op een stokje als een vlaggetje vol fantasietjes dat wordt opgeroldPicnic in Proza2, bl. 324 (Amsterdam, S.L.v. Looy, 1899).. Ook in het Friesch: alle gekheit op in stokje. Ten slotte lijkt het mij nog het waarschijnlijkst, dat onze uitdr. een vervorming is van alle jok op een stok, waar de laatste woorden door 't rijm als van zelf zijn aangegeven. Zie voor dit verschijnsel De morgenstond heeft goud in den mond.

1659. Oele!

Dit wordt als antwoord gegeven aan iemand ‘die een wensch, een plan of eene verwachting heeft uitgedrukt, en dan aanduidende dat hij zich met ijdele hoop vleit’, in den zin van och kom! 't mocht wat! gekheid! larie! Dit gebruik van oele is sedert de 18de eeuw bekend; zie Langendijk, Don Quichot, vs. 159. Thans komt het nog dialectisch voor; vgl. Jord. 256: Oele.... oele! schaterde Karel dan minachtend, blies ze een mondje bierschuim in 't gezicht en liep weg, zonder een woord verklaring; II, bl. 105: Oele! wat zou 't! bl. 115: Hij zag een bloedende vrouw, in waanzinnige smart, half neergestort over een verminkt lijf.... Oele!.... oele! hij zoog liever ijswafels; bl. 370; Nest. 59: Den volgenden dag ging ik op klacht. Daar vertelde ik alles van stukje tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven; fri. oele! gekheid, beuzelpraat, uitvluchten! Jawol, oele, larie!; Draaijer, 44: Ule! gekheid! fluiten! Volgens het Ndl. Wdb. X, 51 is dit oele, eig. meerv. van oel, identisch met het mhd. uol, lint, band in uolwurm, lintworm, ags. ôl, riem, band, dus voorwerp van weinig waarde en daarna nietigheid, beuzelarij (vgl. 1420).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal