Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebied - (landstreek, regio)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gebied zn. ‘landstreek, regio’
Mnl. haer ghebiet ‘haar aanbod’ [1285; CG II,Rijmb.], sine selen niet laten varen miin ghebiet ‘zij moeten mijn boodschap, mijn oproep, niet in de wind slaan’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. gebiedt ‘gebod, edict’ [1573; Thes.], ghebied ‘gebod; territorium’ [1588; Kil.], op mijn gebiedt ‘op mijn bevel’ [1620; WNT]; nnl. 't gebied van wetenschap en kunsten ‘het terrein van wetenschap en kunsten’ [1819; WNT], het gebied der wolken ‘het rijk der wolken’ [1828; WNT], wat ver gebied ‘welke verre streken’ [1859; WNT].
Afleiding van de wortel van het werkwoord → gebieden. In het Middelnederlands bestonden twee min of meer synonieme substantiefafleidingen van deze wortel: gebied en gebod.
Mnd. gebede ‘bevel; rechtsmacht, heerschappij’; mhd. gebiet ‘id.’ (nhd. Gebiet ‘district, bereik, gebied’).
De betekenis van gebied heeft zich ontwikkeld van ‘bekendmaking, aanbod’ in het mnl. naar ‘bevel, rechtspraak, heerschappij’ en vervolgens naar ‘territorium waarover het bevel, de rechtspraak, de heerschappij zich uitstrekt’ in het vroegnnl. In het Middelhoogduits bestaat deze laatste betekenis vanaf de 14e eeuw. In het Nederlands is deze betekenis voor het eerst geattesteerd bij Kiliaan: in 1588 ‘territorium’ en in 1599 ‘territorium; regio’. De Nederlandse betekenisontwikkeling is dus jonger dan de Duitse en wellicht hierdoor beïnvloed. De oorspronkelijke betekenis ‘bevel, rechtspraak’ raakte steeds meer op de achtergrond; de jongere betekenis ‘(land)streek, regio’ kreeg de overhand. Daarnaast wordt gebied metaforisch gebruikt in het gebied van de wetenschap, van de kunst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gebied* [streek waarover een macht heerst] {gebiet [bekendmaking, bevel, rechtsgebied] 1285} van gebieden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gebied znw. o., mnl. ghebiet ‘bekendmaking, bevel, aanbod’, eerst bij Kiliaen vinden wij ‘territorium’, misschien onder invloed van mhd. gebiete, gebiet, mnd. gebēde, waar de overgang van ‘bevel’ > ‘gebied waar het bevel geldig is’ in de 14de eeuw aan de dag treedt. — Abstractum bij het ww. gebieden, samenstelling van bieden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gebied znw. o. Mnl. ghebiet(d) o. beteekent “bekendmaking, bevel, aanbod, vordering”; de bet. “territorium”, sedert Kil., is wellicht opgekomen onder invloed van mhd. gebiete, gebiet o. v. (nhd. gebiet o.), mnd. gebêde o., die o.a. deze bet. hebben.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gebeed (zn.) landstreek; Nuinederlands ghebied <1588>.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

gebieden. - Vertaling van fr. terrains. Het Nederlandsch gebruikt alleen het enkelvoud, desnoods vergezeld door een bepalend woord, b.v. op elk gebied, op velerlei gebied. || Ten gevolge van den vooruitgang op alle gebieden der menschelijke bedrijvigheid, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 78. M. Braun is op meer andere gebieden der bijzondere methodenleer werkzaam geweest, TEMMERMAN in De Toekomst 34, 15. Van 1854 tot 1859, heeft hij (V. Duyse) ontzettend veel geleverd op alle gebieden, L. WILLEMS in Nederl. Mus. 37, 158.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gebied ‘streek waarover een macht heerst’ -> Deens gebet ‘vakgebied’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gebet ‘terrein (fig.)’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels gebied ‘streek’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gebied streek waarover een macht heerst 1599 [Toll.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal