Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gebaar - (beweging van het lichaam, geste)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gebaar zn. ‘beweging van het lichaam, geste’
Onl. gebare ‘gedrag, wezen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ghebare ‘uiterlijk’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘wijze van gedrag’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], gebaerte, geberte ‘houding, uiterlijk, manieren’ [ca. 1300, MNW], ghebeer ‘geschreeuw, getier, misbaar’ [ca. 1440; MNW]; vnnl. stilt hu ghebaer ‘hou op met uw geschreeuw, uw misbaar’ [1511; WNT voer IV], ghecleedt jn sulcken ghebare ... oft nv Passchendage ware ‘gekleed op zo een manier (in zo een stijl) of het vandaag Paasdag was’ [1526; WNT Supp. abuis], mackt een sottisch ghebaer, trekt synen naesten by den hayr ‘maakt een zotte beweging (of: maakt misbaar als een zot), trekt een ander aan het haar’ [1634; WNT vuil I]; nnl. allerlei gebaaren ‘allerlei bewegingen van het lichaam of de handen’ [1733; WNT], mooi gebaar ‘geste, goede daad’, met een breed gebaar ‘galant’ [beide 1927; Wolters NE], een vriendelijk gebaar, een loyaal gebaar ‘een handeling die vriendelijkheid etc. te kennen wil geven’ [1952; Koenen].
Afleiding van → gebaren. In het Middelnederlands komt het woord voor met verschillende achtervoegsels: ghebare en geberte, gebaerde, etc.; een dergelijke wisseling vertonen ook de oudere Duitse vormen en doet zich ook voor bij → gebergte.
Os. gibāri, gibāritha ‘manier van doen, uiterlijk’ (mnd. gebære); ohd. gibāri, gibārida ‘gedrag’, mhd. gebære, gebærde (nhd. Gebärde ‘gebaar, manier van doen’); oe. gebǣre ‘wijze van doen, schreeuw’.
De beperking van de betekenis tot ‘beweging van (met name) de handen of armen’ begint na ca. 1700. De overdrachtelijke betekenis ‘geste’ staat nog niet in de ingang gebaar in het WNT (1874). In de betekenis ‘geschreeuw, getier etc.’ is gebaar verdrongen door → misbaar, met het negatievere voorvoegsel → mis-.
gebarentaal zn. ‘het spreken door middel van gebaren’. Nnl. gebarentaal ‘id.’ [1851; WNT]; eerder al gebarenspraak [1847; Kramers]. Samenstelling van gebaar en → taal. Tegenwoordig wordt met gebarentaal met name de taal van doven en slechthorenden bedoeld, waarbij de handen worden gebruikt voor het vormen van begrippen en letters. Er bestaan vele verschillende gebarentalen over de hele wereld, die van hulpmiddelen zijn geëvolueerd tot volwaardige equivalenten van natuurlijke talen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gebaar* [beweging van het lichaam, geste] {gebare, gebere [gedrag] 1285} oudsaksisch, oudhoogduits gibari, oudengels gebære [wijze van doen]; van middelnederlands baren, beren [zich gedragen, oorspr. dragen] (vgl. baren1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gebaar znw. o., mnl. ghebāre, ghebēre, ghebaer, ghebeer v. o. ‘manier van optreden, uiterlijk, geraas’, os. ohd. gibāri o. ‘manier van doen, uiterlijk’, oostfri. bēre, v., bēr m. ‘bedreiging’, owfri. bēre ‘lawaai’, oe. gebære o. gew. mv. gebæru ‘manier van doen’. Daarnaast staan mnl. ghebaerde, ghebeerde v., os. gibāritha, ohd. gibārida (nhd. gebärde). Beide afleidingen van het ww. mnl. ghebāren, ghebēren, ‘zich gedragen, zich vertonen, lawaai maken’, os. gibārian, oe. gebæran ‘zich gedragen’, en daarnaast ohd. gibārēn, gibārōn ‘zich gedragen’. Dit ww. is een vorming bij het sterke ww. *beran ‘dragen’, waarvoor zie: baren. De verhouding van gebaren : baren is te vergelijken met die van gedragen : dragen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gebaar znw. o., mnl. ghebâre, ghebêre, ghebaer, ghebeer v. o. “manier van optreden, uiterlijk, geraas”. = ohd. os. gibâri o. “manier van doen, uiterlijk” (mhd. ook gebâr m. “manier van doen”), oofri. bêre v. (bêr m.) “bedreiging”, owfri. bêre “lawaai”, ags. gebæ̂re o., gew. mv. gebæ̂ru “manier van doen”. Hiernaast in dezelfde bett. mnl. ghebaerde, ghebeerde v., waarnaast bij Hein van Aken de jongere vorm ghebaerte (vgl. beroerte), ohd. gibârida (nhd. geberde), os. gibâritha v. Deze woorden hooren bij ’t ww. mnl. ghebâren, ghebêren (ê umlaut van â) “zich gedragen, handelen, zich vertoonen, lawaai maken” = os. gibârian, ags. gebæ̂ran “zich gedragen”, waarnaast ohd. gibârên, -ôn “id.”; op een dgl. vorm kan ook de mnl. â-vorm teruggaan. Wgerm. *ʒi-bârian, *ʒi-bârên, -ôn hoort bij *beran “dragen” (zie baren). Voor de bet. vgl. ndl. zich ge-dragen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gebaar. Ofri. bér m. ‘bedreiging’ komt ook nog voor in de vorm ibêr, waarin i- < gi-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gebaar o., Mnl. ghebare, Os. gibâri + Ohd. id. (Mhd. gebæ̂re), Ags. gebæ're, verbaalabstr. van gebaren; voor de bet. vergel. gedrag van dragen en Lat. gestus (Fr. geste) van gerere.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

gebeer, gebèèr misbaar (Noordoost-Nederland). = nl. gebaar. ~ gebieëre ↑.
De Bont 1958, 192.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gebaar van den Idg. wt. ber = dragen; dus letterlijk ’t zelfde als: gedrag. Vgl. ’t Mnl. „Ende (zij) gebaerde of si ziec ware” = zij gedroeg zich, alsof enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gebaar ‘beweging van het lichaam’ -> Fries gebaar ‘beweging van het lichaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gebaar* beweging van het lichaam 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal