Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gay - zn., (homoseksueel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gay zn., bn. ‘homoseksueel’
Nnl. in Gay-krant ‘blad voor homoseksuelen’ (1e jaargang 1980), de gay scene ‘het wereldje der homoseksuelen’ [1986; De Coster 1999], gay ‘homoseksueel’ [1988; Joustra].
Ontleend aan Engels gay (bn.) ‘homoseksueel’ [1938; Panati 1998], eerder al in gay-cat ‘homoseksuele jongen’ [geycat 1935; OED], een specifieke en oorspr. Amerikaans-Engelse betekenis van gay ‘immoreel, betreffende prostitutie’ [1825; OED], ‘losbandig, hedonistisch’ [1637; OED], Middelengels gay ‘vrolijk’ [1310; OED] (deze betekenis ook nog Nieuwengels). Het Engelse woord is ontleend aan Frans gai ‘vrolijk, opgewekt, vriendelijk’ [1050-1100; Rey], waarvan de verdere herkomst onzeker is. Men heeft wel aangenomen dat het, via Oudprovençaals gai ‘id.’, verwant is met ohd. gāhi (nhd. jäh ‘snel’), zie → gauw, of met ohd. wāhi ‘mooi’, maar beide hypothesen zijn omstreden.
In het Engels kreeg gay naast de betekenis ‘vrolijk, hedonistisch’ de betekenis ‘bezig met handelingen waarop een taboe rust’. In de 19e eeuw werd gay gebruikt in uitdrukkingen verband houdend met prostitutie: gay life ‘prostitutie’, gay house ‘bordeel’, gay ladies ‘prostituees’. Tot voor kort werd het ook gebruikt in de betekenis ‘dronken’ of ‘onder invloed van verdovende middelen’. Het ontstaan van de betekenis ‘homoseksueel’ is een relatief recente ontwikkeling; de attestatie van 1935 is afkomstig uit een Amerikaans-Engelse lijst van termen uit de gevangenis en criminele onderwereld, maar al in de Amerikaanse film Bringing up Baby uit 1938 vertelt Cary Grant, die een negligé draagt, dat hij tegenwoordig gay is.
In het Middelnederlands bestond het adjectief gay ‘vrolijk’, dat ontleend was aan het Frans; het woord bestaat in het Nederlands niet meer in deze betekenis. Gay is dus voor de tweede maal ontleend, deze keer via het Engels. Om de associatie met vrijheid en plezier verkiest men gay vaak boven oudere synoniemen als → homofiel of → flikker 2, die in de oren van veel taalgebruikers negatief geladen zijn; ook de als neutraal gevoelde afkorting homo wordt overigens veel gebruikt, zie → homoseksueel.
Ook het Frans en het Spaans gebruiken tegenwoordig gai (Frans) of gay (Frans, Spaans) in de aan het Engels ontleende betekenis ‘homoseksueel’.
Lit.: R.W. Holder (1989), The Faber Dictionary of Euphemisms, London; J.S. Neaman & C.G. Silver (1983), Kind Words. A Thesaurus of Euphemisms, New York; C. Panati (1998), Sexy Origins and Intimate Things, London, 168

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gay [homoseksueel] {na 1950} < engels gay [vrolijk, fleurig, in slang homofiel] < frans gai [levendig, vrolijk], uit het germ., vgl. oudhoogduits gahi [snel, onstuimig] (hoogduits jäh) (vgl. gauw).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gay b.nw., s.nw.
Homoseksueel, of homoseksuele persoon, veral 'n man.
Uit Eng. sleng gay (1951 as b.nw., 1971 as s.nw.).
Eng. gay oorspr. 'n b.nw. met die bet. 'opgeruimd, helder' (1310), later 'wat verslaaf is aan sosiale plesier, wat losbandig of immoreel lewe' (1637), oorspr. eufemisties gebruik. As gevolg van toepassing op homoseksuele persone, veral mans, het die oorspr. bet. toenemend in onbruik geraak. Eng. gay 'opgeruimd, helder' uit Oudfrans gai.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gay (Engels gay)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

gay [geej] {vrolijk} homoseksueel.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

gay bn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = homo(-), homoseksueel.

gay zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = homo, homoseksueel.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gay homoseksueel 1984 [GNN] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

gay (← Eng.), als bijvoeglijk naamwoord: homoseksueel geaard; gezegd van mannen. De gayscene slaat op het wereldje van de homoseksuelen. Een gayclub is een uitgaansgelegenheid voor homoseksuelen.

Maar anders dan ‘hiphop’ uit New York, ‘go-go’ uit Washington of de ‘gunrappers’ uit Baltimore en Philadelphia, vindt deze House-music haar oorsprong in de privé feestjes van de gay scene. (Haagse Post, 06/12/86)
... één van de eerste echte gay disco-hits.(Oor, 16/07/88)
... de extravagante gay-discoster.(Oor, 28/01/89)
Als Marokkaan kun je beter junk zijn dan gay, zo erg vindt men dat in die kringen. (Sietske Altink: Handel in hartstocht. Het prostitutiebedrijf in Nederland, 1995)
En ook zijn bezoek aan een Rotterdamse gay-club verzwijgt hij niet. (Elsevier, 19/04/97)
zelfstandig naamwoord: homoseksueel persoon. Gay-bashing is het Engelse equivalent van ons potenrammen. → potenrammer*.
Veel gays met geld en smaak in Dixit... (Joost Zwagerman: Gimmick, 1989)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal