Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

garde - (keurkorps)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

garde zn. ‘keurkorps’
Vnnl. garde ‘knecht’ [1562; Claes 1994a], wake ofte guarde ‘wachtkorps of garde’ [1566; WNT vehement], guarde ‘lijfwacht’ [1579; WNT Supp. archier], gaerde ‘lijfwacht’ [1599; Kil.]; nnl. de Regimenten Guardes te voet [1747-48; Ned.jaerb., 139], garde ‘legerkorps, keurbende’ [1834-56; WNT], ook ‘lid van keurkorps’ [1851; WNT], garde ‘vorstelijke lijfwacht’, in acht bataljons van de jonge garde en twee van de oude (afdelingen van het leger van Napoleon) [1834-56; WNT]; ook figuurlijk in de oude garde der liberalen ‘diegenen onder de liberalen die al jaren meedraaien’ [1873; WNT].
Ontleend aan Oudfrans garde ‘het (regelmatig) wachtlopen, wacht houden’ [1297; Rey], eerder al guarde ‘het wacht houden’ [1080; Rey], warda ‘toezicht, het bewaken’ [1050; Rey], ontleend aan Frankisch *warda. De Frankische vorm komt overeen met mnl. warde ‘wachttoren, uitkijkpost’ [1279; CG I, 424] waerder, waerde ‘wachttoren’, wa(e)rder, waerde ‘wacht, het waken of bewaken van iets, wachtpost, wachter, opzichter’. Deze vormen horen tot de d-uitbreiding van de stam van → bewaren; de d-uitbreiding bestaat nog in -waarder, zie → deurwaarder, en in Engels ward ‘behoeden’, (zn.) ‘pupil, beschermeling’ en Hoogduits warten ‘wachten’ en zie ook → waard 2 ‘kastelein’. De w- in Frankische leenwoorden is in het Frans via gw- overgegaan in g-, zoals bijv. ook in guerre uit → war en in → garneren. Dat gebeurde in de Noord-Franse dialecten later dan in het zuiden.
Os. warda ‘uitkijkpost’; ohd. wart(a) (mhd. wart(e)); oe. wearda, wearde ‘een wacht of uitkijkplaats’; on. varða ‘uit stenen opgebouwde wegwijzer’; < pgm. *wardō- ‘wachttoren, uitkijkpost’; daarnaast os. ward ‘hoeder, wachter’; ohd. -warto in ēwarto, ēowarto ‘priester’, dus eigenlijk ‘wetshoeder’, mhd. warte; oe. weard, got. -wards in dauráwards; < pgm.*warda- ‘hoeder’; beide zijn afleidingen van pgm.*wardōn-, d-uitbreiding van pgm. *warōn- ‘hoeden, bewaren’; de d- is afkomstig van het achtervoegsel pie. *-tā > pgm. *-þō > *-dō.
In de 16e eeuw werd het leenwoord gaerde ‘lijfwacht, post’ in het Nederlands naast de inheemse Germaanse vormen waerde en gewarde gebruikt. De betekenisovergang in het woord liep oorspr. van ‘het wachthouden, het bewaken’ naar ‘persoon of groep die wacht houdt’. In de 19e eeuw kwamen onder invloed van Napoleon de moderne betekenissen erbij. De figuurlijke betekenis van oude en jonge garde komt het eerst voor in de politiek, waarin de oude garde de zittende politiek vertegenwoordigt; in het leger van Napoleon vertegenwoordigde de oude garde de oudgedienden.
Het Nieuwengels kent zowel de uit het Germaans ontwikkelde vormen warden ‘bewaker, behoeder’, ward ‘behoeden’ als de uit het Frans ontleende vormen guard ‘bewaken; lijfwacht, keurkorps, bewaker’ [ca. 1400; BDE] en guardian ‘behoeder, voogd’ [voor 1400; BDE]; de spelling guard is het gevolg van ontlening uit noordelijke Franse dialecten, waarin de vormen met w- en gw- langer gehandhaafd bleven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

garde [keurbende] {gaerde [troep plunderende soldaten] 1512; de betekenis ‘keurbende’ 1834-1856} < frans garde, van garder [bewaren, passen op, beschermen], uit het germ., vgl. middelnederlands waerden [waken over, behoeden] (vgl. deurwaarder).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

garde znw. v., laat-mnl. gaerde ‘lijfwacht’ < fra. garde gevormd bij garder ‘bewaken’ < frank. *wardōn ‘zorg dragen voor, bewaken’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† garde znw, later-mnl. gaerde v. ‘lijfwacht’. Ontl. aan fr. garde, bij garder, dat van germ. oorsprong is (zie deurwaarder). Ook laat-mnd. garde v. ‘troep soldaten’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

garde zn. v.: troep, bende. Vnnl. garde, gaerde ‘knecht, wachtkorps, lijfwacht’. In het Nnl. is daaruit de bet. ‘legerkorps, keurbende’ gegroeid en in het Zeeuws dan weer de bet. ‘bende’. Het woord gaat terug op Ofr. garde, guarde ‘wacht’, warde ‘toezicht, het bewaken’, dat evenwel ontleend is aan Frankisch (dus Onl.) *warda, dat voortbestond in Mnl. warde ‘wachttoren, uitkijkpost’, waerde ‘wacht, wachter, wachtpost’. Het woord is een d-uitbreiding van waren, in b.v. bewaren.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

garde ‘veldwachter’ (van Frans garde champêtre)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

garde keurbende 1855 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal