Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gapen - (geeuwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gapen ww. ‘geeuwen’
Mnl. gapen ‘opengesperd zijn, gapen’ [1240; Bern.], .i. serpent dat tallen stonde, gapende gaet metten monde ‘een slang die altijd de bek opengesperd heeft’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], upden wijnt ghapen ‘kijken welke wind er komen zal’ [1441; MNW], Hierna ghinc sy weder gapen ‘hierna ging zij weer verlangend zitten wachten (hijgend naar iemands komst)’ [1465-85; MNW-R]; vnnl. ledigh sitten gapen ‘nietsdoen en zitten geeuwen’ [1625; WNT], Een diepe rotsspelonck ..., die heel wijdt en vreeslijck gaept ‘... die wijd en angstaanjagend opengesperd is’ [1660; WNT rots].
Mnd. gapen; mhd. gaffen ‘gapen’; nfri. gapje; oe. ofergapian ‘vergeten, nalaten, over het hoofd zien’; on. gapa ‘de mond opensperren, schreeuwen’ (nzw. gapa ‘gapen, openstaan’); < pgm. *gapōn- ‘gapen, staren met mond open, schreeuwen’, afleiding van pgm.*gap- ‘opening’. Ne. gap ‘opening, gat, hiaat’ en to gape ‘opengesperd zijn’ zijn waarschijnlijk ontleend uit on. gap ‘gat, opening, spleet’ en on. gapa.
Verdere herkomst zeer onduidelijk. Als verwante vorm wordt alleen genoemd Sanskrit hāphikā ‘het geeuwen’. De pgm. vorm *gap- kan afkomstig zijn uit een b-uitbreiding van de wortel pie. *gheh1-‘opening, gapen’; deze wortel heeft veel uitbreidingen, zie bijv.geeuwen, → gijpengeest 2. Pie. *b is echter onwaarschijnlijk, zeker in suffixen. De Germaanse *-a- kan duiden op een voorgermaanse *-o- of *-a-. Germaans *gap- kan teruggaan op pie. *ghob- < pie. *ghh1-ob- of (nultrap) *ghab- < pie. *ghh1b-.
gaap zn. ‘geeuw’. Vnnl. gaap ‘id.’ [1629; WNT]. Afleiding van gapen. Ouder is het eveneens van gapen afgeleide zn. mnl. gapinghe ‘gaping, opening, spleet’ [1240; Bern.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gapen* [de mond wijd openen] {1201-1250} middelnederduits gapen, middelhoogduits gaffen, oudnoors gapa (vgl. geest2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gapen ww., mnl. mnd. gāpen, mhd. gaffen, on. gapa. — oi. hāphikā ‘het geeuwen’ (IEW 422); verder geen verwanten buiten het germ. maar voor de rijk vertakte familie binnen onze taal zie: geeuwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gapen ww., mnl. gāpen. = mhd. (nhd.) gaffen, mnd. gāpen, on. gapa “gapen”. Van een wortel ghā̆xb- (ĝh?), waarvan ook gr. khabón· kampúlon, stenón kan komen (onzeker) en die gevormd is van een korter ghā̆x- (ĝh?), waarop ook gr. khaínō, khaskō (basis ghā̆x-m-) “ik gaap”, khēmē “het gapen, een soort oester” en khá(w)os “leege ruimte, chaos” (voor de bet. vgl. on. ginnunga gap o. “id.”) berusten. Identiteit met de basis ĝhê-, waarop (een deel van) de bij gaan besproken vormen teruggaan, is mogelijk (vgl. oi. vi-hâ- “zich openen”), maar onzeker. Vgl. nog gesp, geeuwen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gapen ono.w., Mnl. id. + Mhd. gaffen (Nhd. id), On. gapa (Zw. gapa. De. gabe), uitbreid. van Idg. wrt. gha: Gr. khaínō = gapen, kháos = chaos. z. gabberen, gaffel en geeuwen. Eng. to gape uit. Skand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gape (ww.) geeuwen; Vreugmiddelnederlands gapen <1240>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1gaap ww.
1. Die mond wyd oopmaak as aanduiding van vaakheid, verveling of verbystering. 2. Wyd oopstaan of 'n wye opening vertoon.
Uit Ndl. gapen (al Mnl. in bet. 1, 1855 - 1869 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
Eng. gape (ongeveer 1440 in bet. 1, 1577 in bet. 2).
Vgl. D. gaffen (in bet. 1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gapen ‘geeuwen, de mond wijd openen’ -> Indonesisch (meng)ap ‘de mond wijd openen’; Negerhollands gav, gāp ‘geeuwen, de mond wijd openen’; Papiaments hap (ouder: haap) ‘geeuwen’; Sranantongo gapi ‘de mond wijd openen, geeuwen, aangapen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gapen* de mond wijd openen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

999. Men moet het ijzer smeden als het heet is,

d.w.z. men moet eene gunstige gelegenheid niet ongebruikt voorbij laten gaan; de gelegenheid waarnemen, als die zich voordoet. De uitdr. wordt aangetroffen in het mlat. dum calidum fuerit debetur cudere ferrum; ferrum quando calet cudere quisque valet; tundatur ferrum, sum novus ignis inest; bij Goedthals, 17: Men moet het yser smeden te wylent dat heet is; in de Prov. Comm. 25: Alst yser heet is so salment smeden; zie verder Campen, 115; R. Visscher, Quicken, 3, 47: Ghy doet soo't hoort, ghy smeet het yser laeu; Everaert, 111: Smedet hysere binder wyle dat gloeyt; Sartorius I, 8, 37; Spieghel, 273; Hooft, Warenar vs. 1472; Idinau, 62; Harreb. I, 361 a; Waasch Idiot. 303 b; Antw. Idiot. 1778 en Bebel no. 10. In het Friesch zegt men eveneens: as 't izer hjit is moat it smeid wirde, waarvan een variant is as 't molken roan is moat me tsjernje (karnen); vgl. het 17de-eeuwsche men moet gapen als men pap biedt of trecken als 't nopt (vgl. fri.: dy 't byt het moat ophelje), seylen terwijl de wint dient, enz.; Afrik. as dit pap reën, moet jy skep (Boshoff, 334); het Westvl.: als je de neute hebt, je moet ze kraken; Vl. vischt terwijl het water blond is (Joos, 83); fr. il faut battre le fer quand il est chaud; mhd. die wîl das îsen hitz ist vol, vil bald man ez denn snîden sol; hd. man musz das Eisen schmieden, so lange es warm ist; eng. strike the iron while it is hot. Zie verder Wander I, 801.

1739. Tegen een oven gapen,

dialectisch nog gebruikelijk in den zin van iets onmogelijks willen verrichten, iets willen doen, dat men toch niet kan, evenmin als men wijder kan gapen dan een oven of een oven overgapen kan; bepaaldelijk in ontkennenden vorm niet tegen een oven gapen in den zin van: niet tegen iemand opschreeuwen, die een grooten mond heeft. In de middeleeuwen was jegen enen oven gapen, onnut werk doen, bekend; vgl. Plantijn: Tegen den oven gapen, tijt verliesen met yemandt te spreken, canere surdis auribus (Mnl Wdb. V, 2060); Campen, 119: hy gaept tegen den oven; Idinau, 9; Vierl. 336: Willen zij noch bij heur propoost blijven, ick laet heur in heur dwaelinge, want tegen de oevenen is het quaet om gapen; Huygens, Korenbl. II, 180: tVerdriet hem niet t'eten als hy slaept: dats tegen den oven aen gegaept; Tuinman I, 229: Vergeefs word tegen een oven gegaapt; hoe wyd ymand den gaaper open spalkt, de oven wint het; Adagia, 36: hy moet wel gaepen die tegen den oven gaept, distendit nimium os qui vincit hiando caminum; Halma, 479: 't Was of hij tegen eenen oven gaapte, alle zijne redenen vonden geen ingang; Harreb. II, 157; Ndl. Wdb. XI, 1577; Waasch Idiot. 495 a: 't Is slecht tegen 'nen ovenmond te gapen, 't is lastig tegen eenen meer geleerde te redetwisten; Antw. Idiot. 1948: dat is tegen den oven gegaapt, dat is gansch nutteloos; fri. men kin tsjin in oun net gapje, men kan het onmogelijke niet; Wander I, 217: gegen 'n Backoven ist übel gaffen (oder gähnen); giegen den Backoewen gapen, mit Stärkern wetteifern; eng. to gape against an oven, to blow against the wind, to kick against the pricks. In mlat. est insufflare stultum fornacibus ore.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑hē-2 : ghǝ- und g̑hēi- : g̑hī- ‘gähnen, klaffen’, schallmalend für den Gähnlaut (dazu der weitergebildete Stamm g̑hii̯-ā); (s. auch u. g̑hans- ‘Gans’; ähnlich, aber mit Velar, gha gha für gackern und dgl., s. dort). Neben g̑hēi- auch g̑hēu- : g̑hǝu̯- (s. dort), entweder als andere Auffassung des Gähnlautes, oder mit ursprüngl. formantischem u.

Gr. χάσκω (g̑hǝ-skṓ) ‘gähne, klaffe’ (nur Präs. und Impf.; später von χαίνω abgelöst, s. unter g̑han-), χάσμα ‘klaffende Öffnung’; χηραμός ‘Loch’, χηραμύς ‘eine große Muschel’, nach χαραμός· ἡ τῆς γῆς διάστασις Hes., χηλός f. ‘Kiste, Lade’; χήμη ‘das Gähnen, Gienmuschel’.
Von g̑hēi- aus: aksl. zějǫ ‘hio’ (*g̑hēi̯ō).
Von g̑hii̯-ā- aus:
lat. hiō, -āre (*g̑hii̯a-i̯ō) ‘gähnen, klaffen, aufgesperrt sein’, osk. eehianasúm ‘ēmittendārum (hostiārum)’, umbr. ehiato ‘ēmissōs’;
lit. žió-ju, -ti ‘öffnen’, reflexiv žiótis ‘gähnen’ (žiótys Pl. f. ‘Riß, tiefe Kluft; Mund, Rachen’), wozu lit. žióvauti, lett. žãvâtiês ‘gähnen’ (žāvas f. Pl. ‘Gähnen’)
und mit p: lit. žiopsaũ, -sóti ‘mit offenem Munde dastehen, dasitzen’;
skr. zjȃm, zjȁti ‘den Mund aufsperren’, Iterativa aksl. zijają, zijati, russ. zijáju, -átь ds. und sloven. zẹ́vati ‘den Mund geöffnet halten’, čech. zívati, russ. zěvátь ‘gähnen’ (sloven. zẹ̀v, poln. ziew, russ. zěv ‘Rachen’);
mit p (vgl. unten die Wzf. g̑heip-): blg. zě́pam, poln. ziepać ‘mit Mühe atmen’, klr. zḯpaty ‘nach Atem schnappen’, čech. zípati ‘keuchen’.
Ähnlich, aber nach den ē-Verben, ahd. gīēn ‘gähnen’ (wäre got. *gijan, -aida); daneben mit noch klärungsbedürftigem (aber schwerlich aus der Wzf. g̑hēu- stammendem) w im Hiat ahd. anagiwēn ‘inhiare’, gēwōn ‘den Mund aufsperren, gähnen’ (mhd. gewen, giwen ds.), ags. giwian, giowian ‘verlangen, fordern’ (aus ‘*mit offenem Munde, gierig wonach lechzen’); dazu aisl. gjā f. (*giwō) einerseits ‘Spalte, Kluft in der Erde’, andrerseits (von ‘lechzen’ aus) ‘wollüstiges Leben’, mhd. giude (*giwiþō) ‘geräuschvolle Freude’, giuden ‘prahlen, großtun (*den Mund weit auftun); in geräuschvoller Freude sein, verschwenderisch leben’, nhd. vergeuden; ahd. inginnan ‘auftun, öffnen, aufschneiden, spalten’ aus *ginu̯an ist wohl Faktitiv zu ahd. ginēn (s. unten) in formellem Anschlußan das lautähnliche biginnan.
sko-Präsens: lat. hīscō, -ere (*g̑hī-sk̑ō) ‘gähnen, klaffen, aufgesperrt sein’; ähnlich ags. giscian, mhd. gischen ‘schluchzen’ und norw. mdartl. geiska ‘die Beine ausspreizen’ (s. Persson Beitr. 318).
n-Präsentien und zugehörige Nomina: aisl. gīna st. V., ags. tō-gīnan st. V. ‘klaffen, gähnen’; mit aisl. gine, ahd. ginēn, mhd. ginēn, genēn, nhd. gähnen = ags. ginian, gionian ‘weit offen sein’, aisl. gina ‘gähnen’, gin n. ‘Schlund’, ags. gin n. ds.; mit germ. ai (idg. g̑hǝi-? oder vielmehr der Präteritalablaut des st. V. gīnan?) ahd. geinōn, schweiz. gäine, got. *gainon, ags. gānian; aber engl. yawn, ‘gähnen’ für *yone aus ags. gionian;
aksl. zinǫ, -ǫti (*g̑hīnō) ‘χαίνειν’.
Andere Nominalbildungen:
mit u̯: ags. giw, gēow m. ‘Geier’ (*gīwaz ‘der Gierige’);
mit m: aisl. gīma f. ‘Öffnung’, schweiz. gīm ds.; aisl. geimi m. ‘Meeresschlund’; nisl. geimr ‘großer, leerer Raum’;
mit r: germ. *gīr(i)a- ‘gierig’ (eigentl. ‘*lechzend’), in norw. mdartl. gīr m. ‘Begierde, Leidenschaft’, ahd. gīri ‘begierig’, gīr ‘Geier’;
mit l: aisl. norw. gil n. ‘Felsspalt’, schwed. mdartl. gilja f. ‘Hohlweg’, ahd. mhd. gil ‘Bruch, hernia’; aisl. geil f. ‘Hohlweg, Engpaß’; mnd. gīlen ‘begehren, betteln’ (von *gīla- Adj. ‘begehrend’, vgl. zur Bed. oben ags. gīwaz).
Mit Bed.-Entw. von ‘klaffen’ zu ‘schief abstehen (zunächst z. B. von Hölzern u. dgl.)’ ist wohl anzureihen ndd. ndl. gillen ‘schräg abschneiden’, ndl. gillinghout ‘schräg durchgeschnittenes Holz’, weiter isl. geila ‘trennen’ (‘*klaffen machen’), ags. gǣlan (*gailjan) ‘hindern, zögern’; von r-Formen nd. gīren, ndl. (daraus nhd.) gieren, norw. mdartl. gīra ‘vom Kurs abweichen’; ndl. geeren ds., norw. mdartl. geira ‘schief laufen’.
Erweiterungen mit i-Vokalismus:
*g̑hei-gh- : aisl. norw. dial., geiga ‘seitwärts abschwenken’, aisl. geigr m. ‘Schaden’ (ursprgl. Anschauung ‘*schief abstehen, klaffen’ z. B. von Hölzern); vgl. nhd. schweiz. Geigle ‘Doppelast an einem Baume, der in beliebigem Winkel auseinandergeht; Pl. die Schenkel’, nhd. Heugeige ‘Stecken mit seitwarts abstehenden Astresten zum Aufschobern des Heus’; nhd. dial. geigen ‘sich hin und her bewegen’, aisl. gīgja, aus mnd. mhd. gīge, nhd. Geige als Musikinstrument; ags. for-, of-gǣgan ‘abweichen von, überschreiten’, gǣgl und gāgol ‘ausgelassen, ausschweifend’, afries. gēia ‘übertreten, unterlassen, Buße zahlen für, büßen’; norw. dial. giga, gigla, gigra ‘lose stehen, wackeln’, engl. gig (nord. Lw.) ‘leichter Wagen, leichtes Boot’, whirligig, dän. gig ‘Kreisel als Spielzeug’; ndd. giggelen, engl. to giggle ‘versteckt, spöttisch lachen’; als ‘frei abstehende, bewegliche Segelstange’ hierher ndl. gei ‘Raa’ (Grundf. geig(*j)a?), ndd. gīk, ndl. gijk ds. und mnd. geck von drehbaren Dingen (z. B. Deckel, Fensterladen, Pumpstangen), auch ‘Narr’ (nhd. Geck); hierher (nach Wissmann Nom. postverb. 41) got. geigō f. ‘Gier’, ga-geigan ‘gewinnen’, faíhu-geigan ‘begehren’; s. S. 427.
Ähnlich ist (von g̑hii̯ā- aus) mit gh gebildet lit. ziógauti ‘gähnen’, žiógas ‘Heuschrecke’, žiõgris ‘Palisade’.
g̑hei-p- (im Germ. vielleicht z. T. auch g̑hei-bh-):
Lat. (Gloss.) hippitāre, exippitāre (*hīpitāre) ‘hietare, oscitare’ (span. hipar ‘schluchzen’); čech. zípati ‘keuchen’ (usw., s. oben);
ags. gīfer ‘Fresser’, aisl. gīfr m. ‘Unhold’; nhd. dial. geifen, geiben, geipen ‘gähnen, gaffen, gierig verlangen’; aus ‘schief abstehen, locker abstehen’ norw. dial. geivla ‘seitwärts abschwenken; schlottern’, auch geivra; vom Verziehen des Mundes ndd. gib(b)elen ‘spottend lachen’, nhd. geifeln ‘spottend lachen’, engl. to gibe, jibe ‘spotten’.
Im Germ. auch:
g̑hei-b-, germ. *gī̆p-: aisl. gīpr m. ‘Maul, Rachen’, FlN für Gipa, norw. mdartl. gipa ‘klaffen machen, nach Luft schnappen’ = ags. gīpian ‘nach Luft schnappen’; mnd. gippelt ‘töricht, dumm’; schwed. dial. gippa ‘Riß, Spalte’; mit ī schwed dial. gipa ‘den Mund verziehen’, ndd. gīpen ‘nach Luft schnappen, strehen nach’; nhd. bair. gaif(f)en von einem nicht festsitzenden, schlotternden Schuh; mit der Bed. ‘spöttisch den Mund verziehen u. dgl.’.
Mit germ. ai: aisl. geipa ‘schwatzen’, norw. dial. geipa ‘schwatzen; den Mund weit aufsperren; mit ausgespreizten Beinen sitzen oder gehen’ u. dgl.;
aisl. geispa ‘nach Luft schnappen’, mengl. gaspen < ags. *gāspian, wohl aus *gaipsōn (durch Verquickung von *gaip- und *gais).
gheis-: isl. gisinn ‘von Trockenheit rissig, undicht’ (Partiz. von *gīsa =) norw. dial. gīsa ‘grinsen, blinzeln’; norw. dial. gista ‘sich öffnen, dünn werden, vom Walde’, aschwed. gistinn ‘von Trockenheit rissig’; aus dieser Bed. weiter mnd. gēst, afries. gēst, gāst ‘das höhere trockene Land im Gegensatz zur Marschniederung’ (zugehörige u-Formen nd. güste, ndl. gust ‘unfruchtbar, trocken, gelt’ von der Basis g̑hēu-?? S. Persson Beitr. 318).
Erweiterungen mit ē- : ǝ-Vokalismus (fast nur germ.):
*g̑hǝgh- (: g̑hēgh-):
Ags. gēagl m. n. ‘Kinnbacken, Kehle’, Pl. ‘Backenzähne’, mnd. gāgel, gēgel m. n. ‘Gaumen, Zahnfleisch’ (*gāgula-, -ila);
nhd. dial. gagen, gageln, gagern ‘(sich) spreizen (von den Beinen, den Fingern), wackeln, gestikulieren, gaukeln’, gackelicht ‘närrisch’, mhd. gagen, gageren ‘sich hin und her bewegen, zappeln’, aisl. gagr ‘gekrümmt, zurückgebogen’, gaghals ‘mit zurückgespreiztem, zurückgebogenem Halse’, norw. dial. gag ‘rückwärts gebogen (z. B. von schief abstehenden Gerätteilen)’, engl. gag-toothed (nord. Lw.) ‘mit hervorstehenden Zähnen’: ablaut. aisl. gǣgjask ‘sich vorrecken, um zu gucken’, und (zugleich mit Kons.-Schärfung) md. gāken ‘gaffen’.
Aisl. gjǫgrar Pl. ‘Felsklüfte’ (*gegura-) vergleicht Lidén Armen. Stud. 70 f. wohl richtiger mit arm. gez ‘Spalte, Riß, Kerbe’.
*g̑hēp-:
Ai. hāphikā ‘das Galmen’ (mit jungem ph statt p, Persson Beitr. 565).
*g̑hǝb-: aisl. gap ‘weite Öffnung, Loch, Chaos; Ruf, Schrei’, gapa ‘den Mund aufsperren, schreien’, ags. gapian, ndd. gāpen, mhd. nhd. gaffen ‘mit offenem Munde anschauen’.
*g̑hǝbh-:
Ags. geaflas Pl. ‘Kiefern’ (in der Bedeutung gerichtet nach ceafl ‘Kiefer’, s. unter g̑eph-), älter dän. paa gafle ‘weit offen’, schwed. på gavel ds.;
aisl. gabba ‘Spott oder Scherz treiben’, ags. gabbian ‘schwätzen; verspotten, verhöhnen’, gaffetung ‘Hohn’, gafsprǣc ‘törichte Rede’, ndl. gabberen ‘nugari, jocari’ u. dgl. (wohl aus dem Ndd. stammen lit. gabl(i)ó-ju, -ti ‘necken, vexieren’, gablỹs ‘wer neckt, vexiert’, s. Berneker 287 f. - auch über poln. gabać ‘reizen, necken’).

WP. I 548 ff., WH. I 647 ff., Trautmann 368, Schwyzer Gr. Gr. I 694.Vgl. noch g̑hē-1 ‘leer sein, fehlen’; Specht (Dekl. 282) setzt eine Wurzel *ag̑h-ē- usw. an; s. oben unter g̑han-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal