Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

galm - (weerklinkend geluid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

galm zn. ‘weerklinkend geluid’
Mnl. galm ‘geluid’ [1472; Stall. I]; vnnl. wederslach oft galm ‘echo’ [1552; WNT weerslag II], den galm ende naeclanck van haer lieflijcken sang ‘het geluid en de naklank ...’ [1613; WNT verinneren].
Afgeleid van het werkwoord galen ‘zingen, geluid voortbrengen’, onl. galan ‘zingen’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. galen ‘misbaar maken’ [1431; MNW], verwant met → gillen, en zie ook → nachtegaal, met het achtervoegsel -m, zoals ook → bloem is afgeleid van het werkwoord → bloeien.
Os. galm ‘galm, klank roep’; ohd. galm (nhd. Galm); on. galmr ‘(zwaardnaam) de helder klinkende’; < pgm. *galmaz; hierbij de werkwoorden: ohd. galan ‘betoveren, bezweren door gezang, incantare, (eigenlijk met hoge vogelstemmen)’; oe. galan ‘zingen, roepen’ (ne. -gale in nightingale ‘nachtegaal’); on. gala ‘zingen van toverformules’ (nzw. gala ‘roepen, kwaaien’); < pgm. *galan- ‘zingen’; met ablaut: on. gœla ‘troosten’; got. gōljan ‘groeten’; < pgm. *gōljan-. Een verlengde vorm van *galan, pgm. *gelnana, levert → gillen op.
Verwant met: Oudkerkslavisch galiti ‘jubelen’; bij de wortel pie. *ghel- ‘roepen, schreeuwen’ (IEW 428).
Met galan en zijn verwanten wordt zeer waarschijnlijk geduid op hoge vogelstemmen, zie de vele vogelnamen. Hierop wijzen ook de afleidingen Oudhoogduits galtar, Oudengels gealdor, Oudnoords galdr, alle met de betekenis ‘toverlied’.
galmen ww. ‘luid weerklinken, een galm voortbrengen’. Vnnl. galmen ‘weerklinken, geluid weerkaatsen’ [1599; Kil.], zoo lang als UE. ... dit huis van vreugde deedt galmen ‘... van vreugde deed weerklinken’ [1638; WNT vreugde]. Afleiding van galm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

galm* [zwaar geluid] {1477} oudsaksisch, oudhoogduits galm, van een ww. middelnederlands galen [misbaar maken], oudnederlands galen, oudhoogduits galan [bezweren, betoveren, zingen], oudengels galan [zingen, roepen] (engels to yell), oudnoors gala [schreeuwen, zingen] → gillen1, nachtegaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

galm znw. m., mnl. galm, os. ohd. galm ‘galm, klank, roep’, vgl. on. galmr ‘zwaardnaam’ (eig. ‘de helder klinkende’). Een m-afl. van het ww. *galan, vgl. mnl. galen ‘lawaai maken’, onfrank. galen, ohd. galan ‘bezweren, betoveren’, oe. galan ‘zingen, roepen’, on. gala ‘schreeuwen, zingen’ en zie ook: nachtegaal. — Daarnaast staan abl. got. gōljan ‘groeten’, on. gæla ‘opmonteren, troosten’. — gr. chelidṓn ‘zwaluw’, kíchlē ‘lijster’, russ. galiťsja ‘bespotten’, van de idg. wt. *ghel ‘roepen, schreeuwen’ (IEW 428). — Zie: galpen en gillen.

Men mag aannemen, dat met *galan eigenlijk hoge vogelstemmen aangeduid werden. Daarop wijzen niet alleen de bovengenoemde vogelnamen, maar ook de germ. afl. ohd. galtar, oe. gealdor, on. galdr ‘toverlied’, waarsch. eigenlijk zo genoemd, omdat het in een falsettoon gezongen werd (vgl. J. de Vries, Altgerm. Rel. gesch.2 I, 304). — Zie verder ook: galsterig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

galm znw., mnl. galm m., ook Teuth. = ohd. os. galm m. “galm, klank, roep. Met formans -ma- van germ. ʒal- “schreeuwen, zingen”: mnl. gālen “misbaar maken”, onfr. galen, ohd. galan “incantare”, ags. galan “zingen, roepen”, on. gala “schreeuwen, zingen”, waarvan ook nachtegaal. Met ablaut got. goljan “(be)groeten”, on. gø̑la “troosten”, wellicht ook de slav. woordgroep van russ. na-gálitˊ “rhythmisch schreeuwen, zingen bij ’t werken”, čech. dial. háliti se “luid lachen”. Zie gillen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

galm m., Mnl. id., Os. id. + Hgd. id., met -m van denz. stam als ’t enk. imp. van *gellen = gillen (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Galm, een afl. met m van den Germ. wt. gel, gal = luid klinken; verwant is: gillen en nachtegaal.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

galm* zwaar geluid 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal