Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gaan - (zich begeven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gaan ww. ‘zich begeven’, (BN) ‘lopen’
Onl. gān ‘zich te voet voortbewegen, lopen’, bijv. in gān sal ic an hūse thīnin ‘ik zal naar uw huis gaan’, an huse godes giengon wir ‘we gingen naar het huis Gods’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. du he ... ginc stan ‘toen hij ging staan’ [1200; CG II, Servas], gaen ‘zich begeven, lopen’ [1237; GC 1, 32].
Verwant met (alle in de betekenis ‘gaan, lopen’): os. gān; ohd. gān, gēn (nhd. gehen); ofri. gān (nfri. gean); oe. gān (ne. go); on. (zw. ); Krimgotisch geen; < pgm. *gē-, *g-.
Hiernaast bestond er in de Germaanse talen nog een reduplicerend sterk werkwoord, waarbij de verleden tijd ging hoort: onl. gangan, mnl. gangen ‘gaan’; os., ohd. gangan (mhd. gangen); oe. gangan, gongan; on. ganga (nijsl. ganga); got. gaggan (uitgesproken als /gaŋgan/); mogelijk van een pgm. ww.*gangjan (Pfeifer).
Pgm. *gē-, *g- is verwant met Grieks kikhẽnai ‘bereiken’; Sanskrit jáhāti ‘hij verlaat’; Avestisch zazāmi ‘ik laat gaan uit’ < pie. *ghēh1-. Pgm. *gangjan wordt wel verbonden met Grieks kokhṓnē ‘zitvlak’; Sanskrit jánghā ‘scheenbeen’, jaṃhah ‘vleugel’; Litouws žengti ‘lopen, gaan’; < pie. hengh- ‘schrijden, schrede; schaamstreek’ (IEW 438).
Gaan betekende oorspronkelijk uitsluitend ‘zich te voet voortbewegen van personen’, maar gaandeweg kreeg het de ruimere betekenis van ‘voortbewegen in het algemeen’ en kon het ook met onpersoonlijke subjecten worden verbonden. Het werkwoord lopen heeft het oorspronkelijke werkwoord gaan verdrongen, maar in het BN kan gaan nog steeds in de betekenis ‘lopen’ gebruikt worden, en zo ook in het Fries, Duits en Zweeds. De oude betekenis is ook nog te zien in bepaalde uitdrukkingen, bijv. niet kunnen gaan of staan ‘bedlegerig zijn’, een uur gaans ‘in een uur te voet af te leggen’. Zie verder → gang.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gaan* [zich voortbewegen] {oudnederlands gān 901-1000, middelnederlands gaen} oudsaksisch, oudfries, oudengels gān, oudhoogduits gān, gēn; daarnaast, met andere werkwoordstam gotisch gaggan, oudnoors ganga, vgl. nederlands ging, hoogduits gegangen; buiten het germ. grieks kichanein [bereiken, ontmoeten], chètos [gebrek, gemis], chèros [beroofd van, eenzaam], chèra [weduwe], oudindisch ahāt [hij verliet].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gaan ww., mnl. gaen, onfrank, gān, os. gān, ohd. gān, gēn (nhd. gehen), owfri. gān, oe. gān (ne. go), de. gaa, zw. , krimgot geen. — Idg. wt. *ghē-, ghēi, vgl. gr. hom. kichánō, att. kigchánō ‘bereiken, inhalen, treffen’, oi. jáhāti ‘verlaat, geeft op’, av. zazāmi ‘ik laat gaan uit’ (IEW 418). De betekenis-ontw. is niet geheel duidelijk; het germ. schijnt een zeer algemene bet. te hebben gekregen uit die van ‘verlaten, laten gaan’; verder verbindt men er een bet. ‘leeg zijn, ontbreken’ mee, waartoe behoren gr. chē̃ros ‘beroofd van, leeg’, lat. hērēs ‘erfgenaam’.

De verl. tijd ging behoort tot een ander ww., waarvoor zie: gang. In het got. staat daarnaast iddja, een oude vorm, die teruggaat op de idg. stam *i̭ā ‘gaan’ vgl. oi. yāti ‘gaan’, lit. joju, jotĩ ‘rijden’, toch. A ‘hij ging’ B. yatsi ‘gaan’ (IEW 296); voor de voor iddja gegeven verklaringen, zie Feist, Got. etym. Wb. 1939, 288. — Af te wijzen is de verklaring van Horn, Festschr. Behaghel 1924, 72 van gaan als verkorting van *gangan en wel langs de weg van een verkorte imperatief; daartegen pleit reeds de oude heteroclytische flectie, die wijst op het relictkarakter van het germ. *gān.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gaan ww., mnl. gaen. = onfr. gân, ohd. gân, gên (nhd. gehen), os. gân, owfri. gân,. ags. gân (eng. to go), de. gaa, zw. , krimgot. geen “gaan”. De verhouding tusschen de wgerm. stammen ʒâ- en ʒai- is niet geheel klaar; in ieder geval mogen wij uitgaan van een idg. wortel ĝhê- (eventueel ĝhêi-) en verwantschap aannemen met gr. kikhánō, kikhēmi “ik bereik”, oi. jíhîte “hij gaat weg”; het act. jáhâti beteekent “hij verlaat”. Men heeft “weggaan van, verlaten” voor de ospr. bet. van den wortel gehouden en verder gr. khẽros “beroofd”, lat. hêrês “erfgenaam” en met idg. oi (of ôi; ablautend met êi) ags. gâd, got. gaidw o. “gebrek e. a. vergeleken: vaag en onzeker. Gaan is in de germ. talen paradigmatisch verbonden met vormen van *ʒaŋʒanan (zie gang), in ’t Got. met een praet. iddja (misschien idg. *ejâm, praet. met augment van jâ-: vgl. oi. yā́ti “hij gaat, rijdt”, obg. jadą, jachati, lit. jóju, jóti “rijden”, waarbij misschien nog jaar en verder ier. âth “waadbare plaats”, lat. jânua “deur”; jâ- is na verwant met ei-, de gewoonste idg. basis voor “gaan”: zie arbeid; men brengt iddja ook als *ijái direct bij ei-), in ’t Ags. met een onverklaard praet. êode.

[Aanvullingen en Verbeteringen] gaan. Ier. âth is van idg. jâ- te scheiden, als kymr. adwy “a gap, a pass, a breach” terecht er bij is gebracht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gaan. De verklaring van gaan als verkorte vorm van *ʒaŋʒanan, uitgegaan van een verkorte imperatief met verlengde vocaal *ʒâ (Horn Sprachk. u. Sprachf.2 40 vlgg., Festschr. Behaghel 1924, 72), heeft bij een veel gebruikt woord als dit veel aantrekkelijks, maar stuit toch af op verschillende formele eigenaardigheden van gaan, die bij uitstek antiek aandoen. Zo zou b.v. de -mi- flexie uit analogie naar doen en staan moeten worden verklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gaan ono.w., Mnl. gaen, Onfra. en Os. gân en gangen + Ohd. gân, gên en gangan (Mhd. id., Nhd. gehen), Ags. gán en gongan (Eng. to go), Ofri. gán en gonga, On. en ganga (Zw. , De. gaa), Go. gangan. De vorm gân klimt op tot Idg. wrt g̃hē, die nog voorkomt in Skr. ji-hā-mi, Gr. kí-khē-mi, Lett. gā-ju (Hgd. gên en Ags. gán op Idg. g̃heḭ); —de vorm gangan echter tot Idg. wrt. g̃heŋɡh, die wellicht een uitbreiding is wrt. g̃hē (z. gang). Ging, Mnl. ghinc, Os. gêng, is gelijk Ohd. giang (Nhd. gieng), Ags. géng, On. géck, ontstaan door samentr. uit *ge-gang, imp. met redupl. van gangan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

goon (ww.) gaan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) goon, Aajdnederlands gan <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3gaat ww. (geselstaal)
Jou willekeurig van een plek na 'n ander voortbeweeg.
Uit Ndl. gaat (Mnl. gaet). Hoewel die vorm Ndl. is, het die karakteristieke gebruik as wisselvorm van gaan in Afr. self ontwikkel soos al opgemerk deur Changuion (1844), Pannevis (1880) en Mansvelt (1884). In Afr. word gaat meestal gebruik om ekstra klem aan te dui (HAT), terwyl dit in Ndl. 'n normale vervoegde vorm is.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gaan (ging, is gegaan), (ook:) 1. gaan naar, naartoe (gevolgd door een bw. bep. van plaats). Waar ga je? hoort zij een stem achter haar (Vianen 1969: 108). Maar in Groot Henar is het niet zo mooi, je kan nergens gaan, want ze planten* veel rijst. Poldermensen planten veel. Ze gaan nergens (Doelwijt 1971: 9). - 2. (als hulpww. ter vorming van de toekomende tijd) zullen. Het volk gaat eens allen die in deze periode hebben meegeregeerd, allen die in deze periode hebben meegegeten, het volk gaat ze allemaal wegjagen (Dobru 1969: 63). - 3. (als hulpww. van modaliteit) zullen. U gaat hem wel kennen = Als U hem ziet, zal wel blijken dat U hem al kent. - Etym.: Vgl. E to go, dat in SN bet. 1 en 2 voorkomt. In BN ook bet. 2. Zie verder Alers. - Zie i.v.m. bet. 1 ook: bij*, thuisgaan*. Opm.: Soms is bij bet. 1 de beste vertaling ‘komen’, zoals ook bij het tweede cit.
— : gaan bij: zie bij*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gaat I: ww. vorm nog gebr. (maar met geringer frekw.) naas gaan.

ghaan: (dial. v.) “meisie, nôi”; mntl. subst. v. (khoisa) ≠gan, “um die Braut werben” (Rust), misk. m. byg. aan !gã-n, “geschwister”, die pl. com. (vgl. ook afl. by WAT).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gaan (ervoor --) (vert. van Engels to go for it)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

gaan. In aansporende betekenis wordt gaan regelmatig gebruikt in verwensingen. In ga toch gauw op het dak zitten, ga pissen, poepen, ga je moeder pesten, ga toch weg, ga (nou gauw) fietsen is de betekenis ‘maak dat je wegkomt!, bekijk het maar, hoepel op’. In de 16de eeuw vinden wij al gaet te galgewaerts!, ga wat muis vangen!, ga naar de wip, ga hoepelen!, ga wat zuilen! Van later datum en thans nog in gebruik zijn ga patatten planten!, ga bananen plukken met je moeder!, ga maar even haring halen! en ga toch janken bij je moeder! Alle hebben de betekenis ‘ik veracht je, hoepel op’. Vgl. Stoett (1943: nr. 1431). Uit minachting en woede verwenst men zijn opponent ook vaak naar een plaats waaraan men een hekel heeft. Vaak is dat een in de nabijheid gelegen dorp of gehucht dat uit vooringenomenheid bekrompenheid en saaiheid wordt toebedacht. Zo vermeldde een Hengelose (Ov) scholiere van 16 jaar de verwensing rot op, ga in Deurningen wonen! Een scholiere van eveneens 16 jaar uit Beverwijk geeft op ga terug in de kut van je moeder! En in De Zilk (ZH) gebruikt men ga toch hoeren zoeken! om minachting en andere emoties uit te drukken. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen ga riekt het!Deurningen, Halle, hoer, kut, rieken.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

gaan (II). - Nauw verwant met het gebruik in het voorgaande artikel vermeld is dat van gaan met betrekking tot kleederen. Men zegt in Zuid-Nederland algemeen: die jas, dat kleed gaat u goed. Dit gebruik is ook eene navolging van eene dergelijke beteekenis van fr. aller: ce collet, ce manteau va bien; ces bottes me ne vont pas. In ’t Nedelandsch zegt men van kleederen dat ze goed staan, goed zitten: die jas zit best; dat pak staat u heerlijk. Vandaar de uitdrukking dat staat gekleed. || Dit licht katoenen kleedje gaat u geschilderd, V. CUYCK in Ned. Dicht- en Kunsth. 10, 18.

gaan (IV) (in tweegevecht gaan). - Deze uitdrukking, algemeen in gebruik, is de vertaling van Belgisch Fransch aller en duel (in goed Fransch: se battre en duel). In Holland zegt men in gemeenzame taal duelleeren; in hoogeren stijl een tweegevecht aangaan met iemand. || Vandaag nog zal ik in tweegevecht gaan met Arthur Frankyn, CONSC. 3, 306b (zie ook 3, 311b). De kamp! - riep onze vorst uit; - gaat heer Finhard misschien in tweestrijd? MILLECAM, Finh. en Lieder. 2, 181.

gaan (I). - Men treft in onze Zuidnederlandsche geschriften vaak het werkwoord gaan aan, daar waar de zin gaden, d.i. bevallen, lijken, aanstaan, vereischt. Deze verwarring is reeds tot het volk doorgedrongen; men denkt niet aan het ww. gaden, maar wel aan gaan, als men b.v. zegt dat gaat mij, zooals het gebruik van het imperfect, b.v. dat gaat mij niet, overtuigend bewijst. Het is zelfs de vraag, of de verwarring niet eerst bij het volk begonnen is, en later, onder den invloed van fr. aller (vooral in uitdrukkingen als: ça me va, cela vous va-t-il? enz.) in de geschreven taal is gekomen. || “Gij weet, dat wij den ganschen dag op het kasteel … moeten doorbrengen. Overmorgen, te tien uren. Gaat u dit?” CONSC. 3, 298 a. ’t Paradijs der Ottomannen, Dat is een hemel, die mij gaat! DE CORT, Lied 55. Wel menig heertje zeide: Dat ding (t.w. een meisje), dat zou me gaan! 90. Deze raad … gaat den verliefde maar half, SEGERS, Vondel1 64. Treurt die man? Gaat het kloosterleven hem niet? STAES, Verst. Geluk 7. ’t Was ne keer ne koning, al oud van jaren, en hij bewoonde een prachtig burgslot, te midden van lustige waranden en groote bosschen. ’t Ging hem daar in die eenzaamheid, en ’t was daarom dat hij er … zijn vorstelijk verblijf hield, Biekorf 8, 49.

Het gebruik van gaan tot vorming van den toekomenden tijd. – In het Nederlandsch kan het ww. gaan gevolgd worden door eene onbepaalde wijs zonder te in de volgende gevallen, hetzij met een persoon of met een zaak als onderwerp:
1o In den zin van: zich ergens heen begeven om er de handeling te verrichten, die door de onbepaalde wijze wordt uitgedrukt; b.v. Wij gaan roeien, man! we gaan roeien met de dames (BEETS, C. O. 74).
2o. In den zin van: zich in beweging stellen tot het verrichten der handeling, die door de onbepaalde wijze wordt uitgedrukt; zich er toe opmaken. In tweeërlei opvatting:
a) Eigenlijk, waarbij nog aan eene werkelijke beweging gedacht wordt; b.v. Gaat zitten; ik ga wat zitten schrijven; ik ga slapen; Ik mag Van Baalen wel waarschuwen, anders gaat gij nog met de kas strijken (V. LENNEP, Rom. 14, 348);
b) Figuurlijk, zonder dat aan eene werkelijke beweging gedacht wordt, in tweeledige opvatting:
α) De handeling wordt gedacht als eene voorbereiding: op het punt staan die uit te voeren; b.v. Ziedaar … wat ik U wilde gaan vertellen! (V. LENNEP, Rom. 14, 105);
β) De handeling wordt gedacht als een begin: er een aanvang mede maken, ze beginnen te volvoeren; b.v. Nu gaan ze krijgertje spelen Rondom het open graf (DE GÉNESTET 2, 129) (1)
Behalve op de uiteengezette manier, vindt men in Zuid-Nederland gaan met de onbepaalde wijs ook gebezigd waar de handeling als toekomstig gedacht wordt, zoodat gaan weinig meer is dan een hulpwerkwoord, dienende ter omschrijving van den onmiddellijk toekomenden tijd. Deze constructie is echter met ons spraakgebruik in strijd, navolging als zij is van een dergelijk gebruik van het ww. aller in het Fransch, en af te keuren. Ook in Noord-Nederland komt dit gallicisme soms voor, doch slechts zelden; in Zuid-Nederland zal het wel onmogelijk zijn, de fout nog uit te roeien, zoozeer is ze bij het volk doorgedrongen. De “spraakmakende gemeent” gebruikt zelfs zullen en gaan te gelijk: zoo b.v. in ’t Zal gaan gedaan zijn, naast ’t Gaat gaan gedaan zijn. || Van welk gedeelte mijns levens zal ik de herinneringen wederom voor mij doen verschijnen! ... Eὖρηκα! ik ga mijne herinneringen beginnen met het fin du siècle het einde der achttiende eeuw, G. BERGMANN, Gedenkschr. 2. Zij verbrijzelden het schoone Koninkrijk der Nederlanden, om het door het zwakke Koninkrijk België te vervangen, dat ging afhangen van den goeden wil, de willekeur … zijner machtige naburen, 219. Ik ben benieuwd van u te hooren, hoe gij uwe onbescheidenheid … gaat wettigen, L. V. RYSWYCK, Loyke de Schalied. 16. Twee jagers … Verkochten, als iets, waar men kan op borgen, Den pelsenmaker ’t vel eens beren, die geveld Ging worden … nu of morgen, V. DROOGENBR., Zonnestr. 32. Zij (de gebroeders Van Eyck) zijn op dit juiste oogenblik verschenen, op hetwelk de Maatschappij de afgetrokken denkbeelden der scholastiek verwierp en door het baren eener geheele wereld wezenlijkheden, de heerlijke ontluiking der Renaissance ging voorbereiden, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 17. Het olieverfschilderen …, eene kunst die zij (t.w. de gebroeders V. Eyck) in eens tot hare volmaaktheid gingen opvoeren, 19. De invloed der Renaissance en de kennis der Italianen vertoonen er zich reeds op (t.w. op zekere schilderij) en laten de omwenteling, welke wij gaan bijwonen, voorzien, 31. Van Jacob Cornelisz kunnen wij zeggen, dat hij de tweede meester van Jan Schoorl was, die de omwenteling der school ging voltooien, 33. Pieter Van Laer gaat ons als overgang dienen tusschen de eerste krijgsschilders en die, welke hun penseel aan boerentooneelen gewijd hebben, 110. Wij (gaan) de aristocratische woningen verlaten om nederiger verblijven te bezoeken, 140. Kortrijk, waar de groote kamp van leven of dood voor Vlaanderen’s vrijheid ging gestreden worden, DE POTTER, Gent 1, V. Waarvoor gaat gij nu eindelijk studeeren? A. BERGMANN, Staas 68. Dit fransche opschrift stond … op eene prente, … en wij gaan zien dat deze prente niets anders was als de nog voorhandige schilderij, DE PAUW, Besouch LIII. Het handschrift … draagt … kostbare sporen van oorsprong en herkomst, die wij gaan mededeelen, DE PAUW in Versl. Vl. Ac. 1891, 476. Zij ging begijntje worden; maar het was nog in den mond niet, V. LOVELING, Nov. 273. De meester gaat zijn pensioen vragen, LOVELING, Vl. Gew. 44. De geestelijke had … den verloopen tijd … waargenomen, om zich op de hoogte te brengen van al wat de bewoners betrof … van het dorp, dat hij hervormen ging, 56. Hij leeft nog, … ik ga hem het Heilig Oliesel toedienen, 121. Zij … vluchtte … in haar bed, klappertandend als iemand, die aan hevige koortsen lijden gaat, LOVELING, Sophie 34. Wat gaat ge drinken? vroeg hij, 43. (hetzelfde 76). Zij kon het niet verkroppen, dat men eene nieuwe school ging oprichten, 212. Ik kan niet huichelen op het oogenblik, dat ik voor God verschijnen ga, 326. Nochtans gaat wellicht een betere tijd aanbreken, VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 12. Die nieuwe reuzen, die nog eens de proef gaan doen om enz., 1, 81. “Taalpolitie is een gevaarlijk ding”, zegt ge … - Dat gaat ge ondervinden, CLAES in De Toekomst 36, 53. Thans, dat ruim de vijf zesden van uwe critiek tegen u gaan keeren, 36, 54. ’t Gaat gedaan zijn, mijnheer; ik mat u te zeer af, 36, 73. Peinst gij, dat een man, die u honderde bewijzen gaf, geen pocher te zijn, zich nu eensklaps zonder reden op iets zou gaan beroemen? DAEMS, Kruiw. 29 (gaan is overbodig). En gaat gij nu uw handschrift laten drukken? 34. Over dit alles wil ik niet te lang bezig blijven, en ik ga liever eens ronduit mijn eigen gevoelen verklaren, 60. “Wat nu gedaan…?” – “Naar Rome schrijven …” – “Maar Jan Groot gaat er weg zijn,” 74. Men vergelijke hetgene wij gaan zeggen, met de teekening, die wij hiernevens voegen, 96. Het woord Kruiwagen … heeft … nog eene verbloemde bediedenis, … waarover wij in dit tweede deel gaan spreken, 116. Daar is er weeral een, … Een priester meer, Een die met de andren tegen mij ten strijde Gaat trekken, DAEMS, Ged. 134 (Satan spreekt). Christus’ lijk is … daar zoo even afgedaan, en op den voorgrond gaat men het balsemen, ROOSES, Antw. Schildersch., 1, 68. Dikwijls zijn die scherts en pret (nl. van het volk) redelijk grof en onkiesch … De vischverkooper, die met de vrouw bij het kraam aan het jokken is, toonde ons dit bij Beuckelaer; vele anderen na hem gaan het ons nog klaarder bewijzen, 1, 112. Reeds het jaar nadien wordt onze burgerij de schrik op het lijf gejaagd door de aankondiging, dat de Inkwisitie binnen onze muren hare moorddadige rechterstoelen ging opslaan, 2, 2. Toen de mare hier verspreid werd, dat de Inkwisitie ging in werking treden, 2, 3. Vol geestdrift moet zijn leerling de reis aanvaard hebben, droomende aan al het schoone, dat hij ging zien en zelf ging voortbrengen, 2, 50. Toen … het nagerecht juist ging opgediend worden, zien wij hem in eens opstaan, ROOSES, N. Schetsenb. 344. Welk eene blijde verrassing was voor ons de tijding, dat een nieuw werk van hem het licht ging zien, ROOSES, Derde Schetsenb. 365. Ik ga niet herhalen, wat onze reisgenoot ons vertelde over de Fransche politiek, ROOSES, Ov. de Alp. 19. Wat het Engelsche volk bij die dagelijksche oefening wint tot ontwikkeling van het ras, tot vorming van gezonde lichamen en gezonde breinen ga ik hier niet uiteenzetten, ROOSES, Op Reis 99. Ik ga dan maar niet beproeven in twee regels te verklaren wat ik zelf zooveel moeite had om te verstaan, Ald. Wij gaan niet stilstaan bij het bespreken dezer bladzijden, noch beproeven de mannen, die hier worden beschuldigd van kleingeestige eer- en heerschzucht, tegen de aanvallen van den lofredenaar der Academie te verdedigen, ROOSES, De Sticht. d. Ac. 9. Verwenschte kerels, … gaat die onbetamelijke spotternij haast een einde nemen? BULTYNCK, Vl. Beeld. 110. Hetgeen ik hem voorstellen ga, zal hem stellig gelukkig maken, SEGERS, Gelukkig 103. Het (is) wel aardig, dat men ons overal gaat laten zien, 114. Zoo ontstond het bekoorlijk “Lantspel”, De Leeuwendalers, dat we thans eenigszins breedvoerig gaan beschouwen, SEGERS, Vondel1 53. Het geldt eenen optocht ter eere van Apis, welke in de stad gaat plaats hebben, 106. Ik ga nu eenige regels uit ’s mans werken mededeelen, die mede kunnen bijdragen om dit karakter te doen kennen, 167. Hij (voorspelt) zich al de gevaren die op hem gaan nederstorten, SEGERS, Vondel2 109. Voor de eerste maal beseft hij, dat, hetgeen hij gaat ondernemen, eene snoode ondankbaarheid is, Ald. Ik ga die keur uit Hoofts en Huygens’ werken zoo kort mogelijk bespreken, SEGERS in De Toekomst 31, 74. Hij gaat uitscheiden herberg te houden, SEGERS in Nederl. Mus. 31, 121. Enkele druppels rijzen langzaam neer; een overvloedige regen gaat komen, SEGERS in Vl. School 1894, 146a. De Brusselaar Andries Vesalius …, die de ontleedkunde van het menschelijk lichaam ging scheppen, FREDERICQ, De Ned. o. K. Kar. 176. Wat Roezelare (sic) deed voor Rodenbach, gaan Antwerpen voor Frans de Cort en Dendermonden (sic) voor Prudens van Duyse doen, WATTEZ in Holl.-Vl. 1, 322. Ik (heb) altijd gedacht, dat de ievervolle kampers voor taalwetenschap eindelijk de zaken nader gingen bepalen, WATTEZ in Het Belfort 1895, I, 81. De heer Meert zal wel te doen hebben, als hij onze nieuwsblaadjes gaat voor ’t gerecht dagen, 1895, I, 82. Daar is weer ons vroolik zangerlijn! Oje! dat gaat hier lustig zijn! DE MONT, Lentesott. 14. Een genre, waarvan wij eerst nu een woordje gaan zeggen, DE MONT in De Toekomst 35, 454. “Op de stoep der rijke heerenwoning bevindt zich de eigenaar van eenen der putten. Hij wacht onverschrokken zijn werkvolk af.” “En wat gaat er gebeuren, Eduard?” V. CUYCK in Ned. Licht- en Kunsth. 10, 19. Geeft gij nooit cadeautjes, mijnheer Willem? – Ik ben zelden in de gelegenheid, jufvrouw Clementine, en om die reden ga ik deze thans waarnemen, 18, 186. Wanneer Gaan we nu trouwen, RAMBOUX, Ged. 31. “Jef!” zegt ze eensklaps, “gij gaat me dezen avond komen bezoeken!” MOORTGAT, Versleten 16. Hij gaat ondervinden wat het is den Reus te tergen, MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 36. Welken weg zullen wij kiezen? Gaan wij onze vervolgers niet rechtstreeks te gemoet loopen? 1, 77. De tijd is daar dat gij mij … gaat rekenschap geven over uw valsch gedrag, 1, 149. O die schelmen, … met drie iemand aanvallen, dat is waarlijk al te erg. Maar wacht, mannekens, gij gaat het u beklagen, 1, 202. Het (was) duidelijk merkbaar dat er dien dag iets bijzonders ging plaats grijpen, 1, 228. Mijn innigste wensch gaat voldaan worden! 1, 238. Maar genoeg over dit punt! – Gaat gij mij volgen naar de groote zaal? 1, 252. Weet echter, dat, zoo gij ons niet vergezelt, gij ook geen het minste deel zult hebben in de schatten die wij morgen gaan veroveren, 1, 253. De gunst, die ik den Hemel sedert jaren afsmeek, gaat mij dus eindelijk geschonken worden: Ik ga mijnen lang verloren zoon … wederzien, 1, 264. Gij gaat voor eenige dagen dezen burcht verlaten, 1, 268. Zoo dat gij het meisje huwen gaat zonder voor haar het minste liefdegevoel te bezitten? 2, 28. Gij gaat de engelreine maagd huwen, omdat zij wat meer solidi medebrengt dan een uwer andere vriendinnen, 2, 29. Toen hij vernam dat Gratiana mijne bruid ging worden, 2, 39. Het akelig droombeeld, dat mij van over maanden vervolgt, gaat eindelijk verwezenlijkt worden, 2, 42. Binnen een vijftal weken gaat gij veroordeeld worden uw liefderijk hart te schenken aan eenen man zonder gevoel, Ald. Uwe kommerlooze … dagen gaat gij verwisselen voor een gansch leven vol zielewee, Ald. Geve God … dat gij niet te diep geschokt zijt door hetgeen gij gaat vernemen, 2, 52. Hij … zegde dat hij mij ging mededeelen wat groot geluk hem te wachten stond, Ald. Hij beweerde dat hij u niet ging huwen uit liefde …; maar enz., Ald. Gratiana, die giste wat er ging gebeuren, 2, 57. Eindelijk gaat die sombere sluier gelicht worden, die de eerste jaren mijner kindsheid bedekt, 2, 84. Hetgene gij gaat vernemen zal uw hart ten bloede wonden, Ald. Ik ga mij naar ’s Reuzen burcht begeven, 2, 90. Spoedig zette ik hem na en ging hem weldra bereiken, doch enz., 2, 92. Liederik gaat ons verlaten, 2, 95. Ik ga u eene vraag doen en zou gaarne hebben dat gij mij zonder omwegen de volle waarheid bekennet, 2, 96. Moeder, ik kom! – Gij gaat gewroken worden, 2, 107. Het groote oogenblik is daar, dat ik den onmensch rekenschap ga vragen over zijn afschuwelijk gedrag, 2, 119. Ik ga mij tot den reus begeven, Ald. Op dees oogenblik nijpt uw hart toe van angst en kommer, omdat gij vreest dat uwe tallooze gruwelen gaan aan het licht komen, 2, 129. Uwe loopbaan, zwanger van allerhande gruwelen en schelmstukken, gaat eindigen, 2, 130. Ik (ga) onmiddellijk bevel geven hem (t.w. een gevangene) naar boven te brengen om enz., 2, 152. Wat ik gevreesd heb, gaat dus verwezenlijkt worden, 2, 184. Ik kan mij echter niet ontveinzen dat er voor mij iets vernederends ligt in den dienst, dien ik Germanus ga verzoeken, 2, 188. Ik ga mijn reddingswerk voortzetten tot het einde, 2, 191. Zij kloekmoedig bij hetgene ik u ga verklaren, 2, 194. Het was op deze plaats dat de tweestrijd ging geleverd worden, 2, 225. Deze dag gaat beslissen over ons aller lot, 2, 226. Mijn bazuinblazer gaat het teeken tot den aanval geven, 2, 232. Laffe moordenaar, gij gaat sterven! 2, 233. Komaan, … ’t wordt laat, wij gaan terugkeeren, BUYSSE in De Gids 1895, II, 29. Zwijg! maar zwijg en houd u stil! Om Godswil houd u stil! Gij gaat haar wakker maken! gij gaat haar opnieuw doen huilen van pijn, II, 244. Ik ga dan mijn kind terugzien, het eenige wezen dat mij nog aan het leven bindt, ALBERT, Liefdezuster 14. Wij wagen het niet, men ginge ons anders van sentimentaliteit aanklagen, ROOS in De Toekomst 34, 96. Denkt vooreerst niet, dat … gij ingewijd gaat worden in de duisterste staatsgeheimen der Europeesche mogendheden, V. D. SCHELDEN in De Toekomst 35, 76. ’t Is met die confraters, dat ik ditmaal ga in twist geraken, PAIDOPHILOS in De Toekomst 31, 384. Dries gaat vertrekken. Neel, zijne vrouw, maakt het valies gereed, V. HAUWAERT, Vl. Toon. 89. De deuntjes op den beiaard van het Belfort gaan veranderd worden, Volksbelang 4 Mei 1895, 3d.

(1) Zie, voor meer uitvoerigheid, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, dl. 4, kol. 52 vlg. en 74 vlg.

gaan (III) (in beroep, in verbreking gaan). - In de couranten kan men dagelijks de uitdrukking lezen in beroep gaan, in verbreking gaan. Dat is eene al te letterlijke vertaling van fr. aller en appel, aller en cassation; in goed Nederlandsch zegt men in hooger beroep komen, hooger beroep gaan, verbreking aanteekenen, zich in beroep aanteekenen, in verbreking voorzien (in Noord-Nederland zegt men niet verbreking, maar cassatie). || Ik zal die uitdrukkingen niet op eigen gezag veroordelen, dewijl ze (t.w. zekere schrijvers) dan licht in beroep konden gaan, CLAES 59. De koop werd door de eerste rechtbank ongeldig verklaard en Meulewels ging tegen dit vonnis in beroep, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 219. Om aan wie het ook zij … den lust te ontnemen in beroep te gaan, L. WILLEMS in Neder. Mus. 37, 131.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gaan ‘zich voortbewegen’ -> Fries der fan troch gean ‘ervandoor gaan’; Frans dialect digan'ler ‘ervandoor gaan’; Petjoh gaan ‘duidt handeling aan die nog gaande is’; Javindo ha, haat ‘zich voortbewegen’; Sranantongo gan ‘vergaan’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

gaan/niet gaan. Letterlijke vertaling van Engels go/no go; Uiteindelijk bleef er een klein clubje over dat vandaag de koppen bij elkaar stak voor een Gaan/Niet Gaan beslissing. (2005)

alles gaat. Letterlijke vertaling van Engels anything goes; Echt een dag waarop alles gaat. Waarop alles wat eerst een droom heeft geleken, in werk'lijkheid bestaat. (1961); Uit het liedje Wat een dag, waarmee Greetje Kauffeld in 1961 het Eurovisie songfestival won.

gaan voor goud. Letterlijke vertaling van Engels go for gold; Ach, wat was het toch zonde afgelopen zomer in Frankrijk! We gingen voor goud, maar het kwam er net niet van. (1998); Feit is dat we allemaal op onze manier naar geluk zoeken, aan ons geluk werken, ons eigen goud zoeken. We gaan voor goud; Deze dames gaan voor goud. En hoe zit het met de Nederlanders? We weten dan Renate Groenewold kan stunten; En deze gedachte sterkte me, en hoe vaak ik sindsdien tegen mezelf heb gezegd, “ik ga voor goud”, weet ik niet, maar het hielp wel.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gaan* zich voortbewegen 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

gaan over iets, zich met iets bezig houden; het behandelen, bespreken: de minister van Financiën gaat over geld. Gaan over iemand is ‘zorg dragen voor iemand; verantwoordelijkheid hebben over iemand’: de dokter gaat over de patiënt. Informeel.

De ministers die over de misdaadbestrijding gaan, Van Thijn (binnenlandse zaken) en Hirsch Ballin (justitie), menen dat er grenzen aan undercover-operaties zijn, die op ethische gronden niet mogen worden overschreden. (Trouw, 25/03/94)
De SPS-minister van Bouwzaken die over de plannen gaat, heeft net een informatiestop over de kwestie ingesteld. (HP/De Tijd, 30/08/96)
’s Lands grootste producent was nogal verbijsterd dat het uitgerekend bij hen klachten regende. ‘Ze denken zeker dat we overal over gaan,’ luidt het commentaar uit Endemol-huize. (Nieuwe Revu, 02/04/97(
Ik heb tegen Chirac gezegd dat in Amsterdam de burgemeester over het mooie weer gaat en de loco over het slechte weer. (Elsevier, 21/06/97)
gaan op, informeel voor ‘houden van; een voorkeur hebben voor’.
Wie op chic gaat, kiest voor zwart, en wie gezag wil uitstralen ook. (HP/De Tijd, 24/01/97)
gaan voor (← Am.-Eng. to go for), kiezen voor; streven naar; trachten te verkrijgen; voorstander zijn van; achter iets of iemand staan. Informeel.
Heeres wist precies wat hij wilde. ‘Ik ga voor het grote geld, ik wil het bedrijfsleven in.’ (Elsevier, 26/06/93)
Hans Dijkstal? ‘Dat vind ik nou een gezellige vent. Ja, Dijkstal, ga ik voor.’ (Nieuwe Revu, 29/11/96)
Tussen de regels door lees ik dat Quattro Pro van Borland hèt pakket is om voor te gaan, maar kennelijk hebben weinig rekenaars dat ook daadwerkelijk gedaan. (Computer! Totaal, februari 1997)
Geloof me: als ze het zadel tussen de benen hebben dan gaan ze voor elke wedstrijd. (Elsevier, 26/04/97)
Plechtig spraken trainer en atleet vervolgens af ‘ervoor te gaan’. (Vrij Nederland, 03/05/97)
Een advocaat verdedigt een standpunt en gaat ervoor. (Elsevier, 07/06/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1398. Branden als een lier,

d.w.z. uitstekend, flink branden, wel bekend uit het liedje: Jan brandt de lamp nog? Moeder, als een lierOok in het Nd.: Frans, brannt de Lamp noch? Jo, Moeder, as en Lier. Abraham, wat dühste dann? Eck sett bei de Mäd an 't Für (Eckart, 122).. Ook zegt men het gaat als een lier, fri. it giet as in liere, 't gaat zonder haperen, 't gaat van zelf, gesmeerd; meest van een machinalen arbeid gezegd (Molema, 244 b en Taalgids V, 171), dat in de 17de eeuw wordt aangetroffen bij J. Oudaen, Haagsche Broedermoord, 58: Wat mag de gek wel meenen, dat alles als een lier zoo glad gaat? en in de 18de eeuw in Alewijn's Puiterv. Helleveeg, 33. In deze laatste zegswijze kan men lier opvatten als een horizontaal geplaatsten kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen; ook, in eene vischschuit, om het net neer te laten en op te halen (Van Dale). Op deze beteekenis wijzen uitdr. als afrollen als een braadspit (Wildsch. I, 226); het Vlaamsch als een babijn (klos) en de uitdr. het gaat als een veer, als een vinketouw, die worden geciteerd in het Ndl. Wdb. V, 12. Vgl. ook he knows it off the reel (haspel). Aan (Zoo glad) gaan als een lier ontleende als een lier de beteekenis van flink (zie Ndl. Wdb. VIII, 2131). In Zuid-Nederland zegt men blijkens De Bo, 631: het gaat gelijk eene liere op eenen stok of het gaat gelijk eene liere des zondagsVgl. Br. v. Abr. Bl. I, 187: De eerste veertien dagen, gaat dat als een lier op een Zondag (zoo ook bij Harreb. II, 28). Bij Adama v. Scheltema, Van Zon en Zomer, bl. 17: 'k Sloop zachtjes door de bronzen wei, het zong er als een lier.; bl. 1409: het gaat gelijk eene liere (fr. vielle) met eene wrange, waarnaast ook gebruikt wordt: het gaat gelijk een fluitje (van een oordje of een duitje) (Schuerm. 136 a en Bijv. 83, 84; Rutten, 68; Joos, 16; Tuerlinckx, 190 en ook Fri. Wdb. I, 372); het gaat als eene klok (Schuerm. 255); - een soese (De Bo, 1058); - een zoeve (b. 1438); - een lampte (bl. 606); - een babijntje (bl. 71); - een smisken (vuurwerk; Joos, 16; vgl. eng. like a house on fire). In Groningen 't gaat as 'n david (Molema, 77 b).

2459. Dat gaat zoo ver als 't voeten heeft,

d.i. dat gaat zoover als het kan; gebezigd van gezegden en redeneeringen, die niet altijd opgaan of van handelingen, die eens spaak loopen. Vgl. Br. v. Abr. Bl. I, 1: Ik zie, dat het oude spreekwoord die de Dominées wil eeren, moet er niet veel mee verkeeren ook al zo verre gaat, als het voeten heeft en in lang zo algemeen niet bevestigd wordt, als dat de beste Menschen er toch bij 't sluiten van de rekening 't best aan zyn zullen; W. Leevend I, 210: Met my, die altoos in den boel zit, en veel in de Waereld ben, gaat dat (nakomen van christenplichten) zo ver als 't voeten heeft; Esopet, de gefopte bedrieger, 7: Dat moet loopen zoo ver als 't voeten heeft, wie geen yzere keten waagt, krygt zelden een goude; V. Janus, 343: Dit gaat zoo verr' als het voeten heeft; Harreb. II, 395 b; fri.: dat giet sa fier as 't foetten het, het duurt tot een tijd; Twente: dat geet zoa wîd as 't veute in de erde hef.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑hengh- ‘schreiten; Schritt, Schenkelspreize, Schamgegend’

Ai. jáṁhas- n. ‘Schritt, Flügelschlag’, jáŋghā ‘Unterschenkel’, av. zangǝm ‘Knöchel des Fußes’, -zangra- (in Kompositis) ds., schwundstufig ai. jaghána- m. n. ‘Hinterbacke, Schamgegend’ : gr.κοχώνη ‘Stelle zwischen den Schenkeln’ (assim. aus *καχώνᾱ);
ags. -gīht ‘Gang’, mhd. gīht ‘Gang, Reise’ (urgerm. *ginxti- aus g̑heng-ti-), mit Abtönung o: got. gagg n., aisl. gangr, ags. ahd. gang ‘Gang’ und germ. *gangjan Iter. (got. Prät. gaggida ‘ging’, ags. gengan, mhd. gengen, gancte ‘losgehen’) und danach auch *gangan, got. gaggan ‘gehen’ = aisl. ganga (gekk), as. gangan (geng), ahd. gangan (giang), ags. gongan ds., wozu ahd. gengi, ags. genge, aisl. gengr ‘gangbar’, got. framgāhts ‘Fortschritt’, aisl. gātt ‘Einschnitt amTürpfosten’, gǣtti ‘Türrahmen’; schwundstufig afries. gunga ‘gehen’, dän. gynge, älter gunge ‘schaukeln’;
lit. žengiù, žeñgti ‘schreiten’, pražangà ‘Übertretung’, žiñgsnis ‘Schritt’.
Eine Anlautdublette (durch Dissimilation?) vielleicht in air. cingim ‘schreite’ (3. Pl. cengait, Perf. cechaing), cymr. rhy-gyngu ‘Paßgehen’, air. cing, Gen. cinged ‘Krieger’, gall. Cingeto-rīx, schwundstufig urkelt. *kn̥gsmn̥ in air. céimm (*kenksmen), cymr. corn. cam, bret. camm ‘Schritt’ (*kanksman).
Eine andere Variante *ghenk- ist (unter ōkú-s ‘schnell’) für ahd. gāhi ‘rasch, hastig, plötzlich’ in Erwägung gezogen.

WP. I 588, WH. I 217, Trautmann 370.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal