Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

framboos - (vrucht (Rubus idaeus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

framboos zn. ‘vrucht (Rubus idaeus)’
Vnnl. frambesie [1599; Kil., Appendix], de ghemeyne Frambezien ‘de gewone frambozen’ [1608; WNT], het sap ... van framboysen [1621; WNT klop I].
Ontleend aan Frans framboise [ca. 1175; Rey]. De verdere herkomst is onzeker, maar wrsch. berust die op een Frankisch woord *brāmbesi ‘braambes’, met umlaut uit *brāmbasi, samengesteld uit woorden die corresponderen met → braam 1 en → bezie. De f- is daarbij dan ontstaan onder invloed van Oudfrans fraie ‘aardbei’ (Nieuwfrans fraise; uit vulgair Latijn *fraga). De hypothese (NEW) dat framboise is ontstaan uit een contaminatie van vulgair Latijn fraga ‘aardbei’ en (al klassiek) Latijn ambrosia ‘godenspijs’ (zie → ambrozijn), wordt door Franse etymologische woordenboeken niet ondersteund.
De samenstellende delen van de gereconstrueerde Frankische vorm *brāmbasi ‘braambes’ bestaan ook in andere Germaanse talen. Attestaties van de samenstelling zelf alleen met umlaut en rotacisme in: ohd. brāmberi (nhd. Brombeere) en oe. bræmel berian (ne. brambleberry, dialectisch ook bramberry). Nederlands braambezie (voornamelijk, en in diverse varianten, in Zuid-Nederlandse dialecten) is in Oud- of Vroegmiddelnederlandse bronnen nog niet geattesteerd en zal dus wel niet aan de oorsprong van het Franse woord staan.
Door contaminatie van framboos en braambes ontstonden diverse dialectische mengvormen, bijv. bra(a)mboos, frambezie.
Lit.: J. Stroop (1981), ‘Brembezie en frambozen’, in: Sprekend een Westbrabander, Amsterdam, 23-24

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

framboos [vrucht] {frambesie 1554} < frans framboise waarschijnlijk < frankisch ∗brambasia, o.i.v. fraise [aardbei], vgl. nederlands braambes ook wel herleid op < (vulg.) latijn fraga ambrosia, vulgair latijn ∗fraga [aardbei] (vgl. fraise2), ambrosia, vr. enk. van latijn ambrosius [ambrozijnen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

framboos znw. v., eerst nnl. < fra. framboise, reeds ofra. framboses (11de eeuw), welk woord men wil verklaren < gallo-rom. *frambosia < fraga ambrosia ‘geurige aardbei’ (Gamillscheg 439).

Deze verklaring is niet zeker, maar schijnt beter dan die uit nl. of nd. braambezie of zelfs got. *brēmabasi, daar hier de cons. moeilijkheden oplevert.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

framboos znw., eerst nnl. Uit fr. framboise “framboos”, dat op een nld. of ndd. brâm-bēs(i)e teruggaat. Zie braam en bes. Kil. frambesie (als vreemd woord opgegeven) is naar braam-besie vervormd. Een andere contaminatie-vorm is nnl. dial. bra(a)mboos, fri. bramboas.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

framboos. Om de germ. oorsprong van fr: framboise te handhaven, dient men uit te gaan van een oudere vorm dan ndl. of ndd. -bēs(i)e, waarin de vocaal nog niet was umgelautet. Men heeft echter ook aan gallorom. oorsprong gedacht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

framboos v., uit Fr. framboise (z. braambezie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

flamboos (zn.) framboos; Nuinederlands frambesie <1599> < Frans framboise.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

flamboos, zn.: framboos. Door wisseling van de liquidae r/l.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bramboeze, bramboezem, brambroze, braamboezem zn.: framboos. Contaminatie van braambes, -beze en Fr. framboise ‘framboos’. Het Fr. woord framboise is trouwens etymologisch hetzelfde woord, het gaat terug op Frankisch *brambasi. De fr-anlaut in het Frans is wellicht te verklaren o.i.v. fraise. In Wulveringem (WV) zijn braambessen wilde frambozen. Voor de talrijke Ovl. verhaspelingen, zie Debrabandere 2005 i.v. bra(a)mbanze. Zie ook frambo(e)zem.

frambo(e)zem, flamboezem zn.: framboos. 1621 framboysen (WNT). Fr. framboise. Zie ook bramboeze.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bra(a)mbanze (ZO, Zt, Voorde), bra(a)mbranze (Borsbeke, Erwetegem, Leeuwergem, St.-Maria-Lierde, Strijpen), brabanze (St.-Lievens-Esse), rambanze (Dender, Gb), trambanze (Aspelare), malbranze (Herzele), barrebranze (Elene, Herzele), branze (Leeuwergem), bambranze (Elene), brimbante (Zegelsem), braambrander (St.-Maria-Oudenhove), zn.: braam(struik), braambes. Alleen Teirlinck geeft brambanze (ZO) als var. van frambanze voor 'framboos'. Braambanze kan moeilijk met n-epenthesis uit braambeze worden verklaard, temeer omdat Teirlinck het accent aangeeft en dat ligt op ban, de tweede lettergreep. En ook vanwege de ZO-betekenis 'framboos' is bra(a)mbanze veeleer te zien als een contaminatie van braambes, -beze en Fr. framboise 'framboos'. Het Fr. woord framboise is trouwens etymologisch hetzelfde woord, het gaat terug op Frankisch *brambasi. De fr-anlaut in het Frans is wellicht te verklaren o.i.v. fraise. In Wulveringem (WV) zijn braambessen wilde frambozen. Let verder op de talrijke verhaspelingen, o.m. met r-perseveratie of r-epenthesis in -branze. Braambrander door volksetymologie, wellicht met bijgedachte aan het bijbelse 'brandend braambos'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

framboos: naam v. plant en vrug (spp. Rubus, fam. Rosaceae); Ndl. (eers Nnl.) framboos uit Fr. framboise òf uit fraga ambrosia, “geurige aarbei”, òf uit Ndl. of Ned. bram-bes(i)e – Kil se frambesie is na anal. v. brambesie gevorm.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Framboos, Rubus idaeus
Rubus: s verwant aan het Latijnse ruber = rood .
Idaeus: van de berg Ida op Kreta waar de plant geteeld werd en wordt.
Framboos: het woord 'framboos' wordt gekoppeld aan het Duitse 'Braembesien' (braambes).

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

framboos (Frans framboise)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

framboos ‘vrucht’ -> Duits dialect † Frambôse, Flambose ‘vrucht’; Indonesisch frambos, prambos ‘vrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

framboos vrucht 1554 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal