Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fokker - (rijkaard)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fokker(t) m. (rijkaard), met bijvorm fockaert, Ndd. fucker, naar de Augsburgsche handelaarsfamilie Fugger (15e eeuw). Uit Ndl. Wa. fouqueur, Sp. fucár.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

fokker, zn.: rijkaard. Meestal in de verbinding een rijke fokker. Adaptatie van de Duitse familienaam Fugger, de naam van een Augsburgs geslacht van rijke bankiers in de 15e en 16e eeuw. Vertegenwoordigers van de familie hebben ook in Antwerpen gewoond.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

fokker, rijkaard
Jeremias de Decker had het in de 17de eeuw over ‘Fockers [...] die ’t goud met tonnen tellen’. Zijn tijdgenoot Simon van Beaumont kende een ‘Rijcke Focker’ met ‘kisten bersten vol gepropt van geldt’ en Vondels oog viel eens op ‘Den groenen esmerald, Die aen der fockren vingers bralt’.
In het Bargoens betekent fokker nu zwerver of bedelaar en dat is precies het tegenovergestelde van de originele betekenis. Het woord stond al in de vorige eeuw als verouderd te boek, maar was ooit een gangbaar begrip voor rijkaard.
Over de etymologie van fokker - ook gespeld fokkert en fockaart - bestaan geen twijfels. Fokker, schreef Bilderdijk in 1834, is ‘verbasterd van den eigennaam van Fugger [...], den Rijken Bankier, wien Keizer Karel de Vijfde adelde ter beloning van der groote geldsommen, hem door Fugger opgeschoten en naderhand op een treffende manier kwijtgescholden’.
De Fuggers waren steenrijk. In de 15 de en 16de eeuw was de macht van de familie zo groot, dat Duitse historici nu nog spreken van ‘das Zeitalter der Fugger’. De basis voor deze macht werd gelegd door de wever Hans Fugger, die zich in 1367 in het Beierse stadje Augsburg vestigde en daar een bloeiende bombazijnindustrie op poten zette. Zoons en broers brachten het familiebedrijf steeds verder tot bloei en onder Jacob II [1459-1525], bijgenaamd ‘De Rijke’, werd het bedrijf een ware financiële grootmacht.
De Fuggers waren de steunpilaren van verschillende Duitse keizers. Karel V zou zijn verkiezing als keizer zelfs grotendeels aan hen danken. In ruil hiervoor kregen ze onder meer concessies voor het exploiteren van mijnen in landen als Hongarije en Spanje. Het groeiende bezit van de Fuggers in Spanje stuitte later op verzet en ook daar werd hun naam een begrip : fúcar betekent in het Spaans nog altijd ‘heel rijk man’. In het Duits betekent Fucker zowel ‘kleine dief’ als ‘monopoliehandelaar’.
Tussen 1511 en 1527 steeg het vermogen van de Fuggers van 67 500 tot 633 500 pond,een gigantisch kapitaal.Toen Karel V eens in Parijs de koninklijke schatten te zien kreeg, moet hij tegen de Franse koning hebben gezegd: ‘Er is te Augsburg een linnenwever, die dit alles met zijn eigen geld betalen kan.’
De terugval kwam in de tweede helft van de 16de eeuw: de Habsburgers konden hun schulden niet afbetalen, er ontstond onenigheid in de familie, de godsdienstoorlogen waren slecht voor de zaken en de concurrentie werd moordend. De Fuggers behielden een aanzienlijk kapitaal, maar konden niet meer model staan als rijke stinkerds.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal