Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

foelie - (omhulsel van de muskaatnoot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

foelie zn. ‘omhulsel van de muskaatnoot’
Mnl. folie ‘zekere specerij’ [1286; CG I, 1173], fuelghen, foelge ‘zekere specerij.’ [1340 resp. 1363; MNW sedeware]; vnnl. folie ‘zekere specerij’ [ca. 1510; WNT vierendeel], foelgie, fouille ‘zekere specerij’ [1599-1600; WNT], foellie, foelge ‘omhulsel van de muskaatnoot’ [1573; Thes.], folie ‘id.’ [1599; Kil.], foely ‘id.’ [1625; WNT].
De woordvorm is ontleend aan Oudfrans fuelle (Tobler/Lommatzsch), ook fueille, foille ‘blad’ [ca. 1130; Rey] (Nieuwfrans feuille), ontwikkeld uit Laatlatijn folia ‘blad’, oorspr. de meervoudsvorm van klassiek Latijn folium ‘blad’, verwant met → blad. De betekenis vertoont echter een discontinuïteit. Pas in 1573 is sprake van ‘omhulsel van de muskaatnoot’, een betekenis die is overgenomen van het bijna identiek klinkende Maleis-Portugees foely “foela die noot, foelie” (= ‘bloem van de muskaatnoot, foelie’) [1780; Nieuwe woordenschat], nevenvorm van foela ‘bloem’ [1780; id.], dat teruggaat op Portugees flor ‘bloem’ < Latijn flōs (genitief flōris) ‘id.’, verwant met → bloeien. Welke specerij er met mnl. foelge werd aangeduid is onzeker. Wellicht sloeg het op folium Indum of folia Indum (> Frans feuille inde), een specerij uit het aromatisch blad van een aan de kaneel verwante plant, misschien overeenkomend met het huidige kassia.
Volgens de traditionele etymologie betekent ook mnl. foelge ‘foelie’, en is deze betekenis ontwikkeld uit een middeleeuws-Latijnse en Oudfranse betekenis ‘vlies’ (van folium c.q. fuelle), of op een nevenvorm fueil in de betekenis ‘voering van een beurs’ [ca. 1260; Rey], waaruit dan ‘zak’ > ‘omhulsel’ > ‘omhulsel van de muskaatnoot’ kan zijn ontwikkeld. Deze etymologie heeft echter verscheidene bezwaren: a) noch in het middeleeuws Latijn, noch in het Oudfrans komt de specifieke betekenis ‘omhulsel van de muskaatnoot’ voor; b) er is geen enkele contextuele aanwijzing dat de genoemde Middelnederlandse woorden ‘omhulsel van de muskaatnooit’ zouden kunnen betekenen; c) geen enkele andere Europese taal heeft een vergelijkbaar folium-woord voor deze specerij. De meeste hebben hetzij een woord dat teruggaat op middeleeuws Latijn macis [6e eeuw; André 1956] (bijv. Frans macis [1236; Du Cange], Engels mace [1377; OED]), hetzij een samenstelling, bijv. Frans fleur de muscade (naast macis), Duits Muskatblüte; maar ook in mnl. dat dit macis es der notemusschaten bloeme ‘dat deze “macis” de nootmuskaatbloem is’ [14e eeuw; MNW] (vnnl. muskaatbloem). Deze naamgeving met een woord voor ‘bloem’ berust op de sierlijkheid van de muskaatnoot wanneer deze nog aan de boom zit en komt ook terug in bijv. Maleis kembang pala ‘palabloem’ (Javaans kembang ‘bloem’), Chinees tou kou hua.
Foelie is de rode zaadrok van de muskaatnoot (als specerij beter bekend als nootmuskaat, zie → muskaat 1), de kern van de palavrucht. Deze groeit uitsluitend op de Banda-eilanden (in het huidige Indonesië) en was daar het belangrijkste exportproduct. Al in de vroege Middeleeuwen handelden de Arabieren in nootmuskaat en foelie (bovengenoemde 6e-eeuwse vindplaats in het Latijn is de oudste zekere aanwijzing voor aanwezigheid in Europa). Maar in de 16e eeuw waren deze eilanden in handen van de Portugezen en een eeuw later was de Hollandse VOC er de baas. Het Maleis-Portugees was en bleef echter in Oost-Azië een lingua franca en dus een belangrijke donortaal voor leenwoorden.
Er bestond een homoniem mnl. foelge ‘bladgoud’ [1358; Stall. I, 425], foelie, folie ‘dun metaal’ [1477; Teuth.], vnnl. en nnl. foelie ‘bladmetaal’. Daarvan gaan uiteraard zowel vorm als betekenis terug op Oudfrans fuelle. Deze betekenis is in de 20e eeuw verdwenen onder invloed van het Duitse leenwoord → folie.
Lit.: F. v.d. Bosch (1992), ‘De herkomst van het woord foelie’, in: Moesson 37/3, 45; (z.a., 1780) Nieuwe woordenschat, uyt het Nederduitsch in het algemeene Maleidsch en Portugeesch, zeer gemakkelyk voor die eerst op Batavia komen, Batavia; J. André (1956), Lexique des termes de botanique en latin, Paris

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

foelie [zaadmantel van de muskaatnoot] {foelge, foelie [vlies van muskaatnoot] 1286; de betekenis ‘bladmetaal’ 1400-1434} < latijn folium [blad] (vgl. folio, folie).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

foelie znw., mnl. foelie, foelge v. “foelie” (in de beide bett.) Uit. ofr. fueille (fr. feuille) “id.”. Dit uit lat. folium “blad”. Ook kan foelie als geleerde ontl. uit ʼt laat-Lat. komen: voor de oe vgl. bij school I. Hd. folie v. “foeliesel” uit ʼt Mlat. of It.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

foelie v., Mnl. foelge, uit Fr. feuille, van Lat. folia, meerv. van folium = blad (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

foelie, foele, zn.: venkel. Het woord kan moeilijk uit Fr. fenouil ‘venkel’ worden verklaard. Het werd verward met foelie ‘vlies van de bast van de muskaatnoot’ < Fr. feuille ‘blad’ < Lat. folia.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

foelje zn. v.: foelie (specerij, vlies van de bast van de muskaatnoot). Mnl. foelge, foelie, fuelge, Vnnl. 1562 foelge van note muscade ‘fueille muscade’ (Lambrecht). Fr. feuille ‘blad’ < Lat. folia (Tavernier 1970, 60).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

foelde 1 (ZO), foelje (ZV), zn. v.: foelie (specerij, vlies van de bast van de muskaatnoot). Mnl. foelge, foelie, fuelge; Vnnl. 1562 foelge van note muscade 'fueille muscade' (Lambrecht). Met de typische Ovl. ld-realisatie van de Franse l mouillé < Fr. feuille 'blad' < Lat. folia (Tavernier 1970, 60).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

foelie s.nw.
1. Spesery bestaande uit die gedroogde netvormige vliese van die muskaatneut. 2. Dun uitgeslaande of uitgerolde metaal.
Uit Ndl. foelie (1591 - 1602 in bet. 1, ongeveer 1600 in bet. 2).
Ndl. foelie uit Oudfrans foeille of Latyn folium.
Eng. foil, It. foglia 'blad'.
Vgl. folio.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

foelie: l. “amalgaam v. spieëlrug”; 2. “spesery uit skil van neutmuskaatboom” (spp. Myristica, fam. Myristicaceae); Ndl. foelie (Mnl. foelie/foelge, in albei bet., in tweede bet. by vRieb foeli/foely/(hiperk.) foelje) via Ofr. fueille of regstreeks uit Lat. folium, “blad”; v. ook kanferfoelie.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

foelie [zaadmantel van de muskaatnoot]. Volgens Franck van het Italiaanse foglia en het Franse feuille, daar eenmaal foglia di noci moscate en feuille de macis gebruikelijke uitdrukkingen zijn geweest. [Zie ook massa.] [P]

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

foelie (Latijn folium)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kamperfoelie, Holl. naam van de Lonicera caprifolium. uit lat. caprifolium (bokken-blad, van caper en folium). Het woord folium gaf het fra. feuille, dat, waarschijnlijk nog in ouderen vorm het mnl. foelge, ons foelie gaf. Foelie is eigenl. foelie van notenmuskaat, fra. feuille de macis; in andere bet. is foelie = dun blad metaal, b.v. achter het glas van spiegels.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

foelie ‘zaadmantel van de muskaatnoot’ -> Indonesisch fuli ‘zaadmantel van de muskaatnoot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

foelie zaadmantel van de muskaatnoot 1286 [CG I2, 1173] <Latijn

foelie bladmetaal 1400-1434 [MNW] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1127. Hij heeft veel op zijn kerfstok,

d.w.z. hij heeft veel misdreven; hd. er hat viel auf dem Kerbholz; fri. hy het gâns op syn kerfstok; Afrik. hy het al baie op sy kerfstok. Onder een kerfstok verstond men vroeger een stok of hout, waarin kerven of insnijdingen werden aangebracht; bepaaldelijk een stok, die het ‘rekenboec’ (het afrekeningsboek, het boekje) vervangt bij personen, die niet schrijven kunnen; de betaling werd door een kerf of insnijding aangeduid, terwijl schuldeischer en schuldenaar elk een stok hadden, die te gelijk gekerfd werden en waarvan dus de insnijdingen nauwkeurig met elkander moesten overeenkomen, zoodat vervalsching onmogelijk was. Veel op zijn kerfstok hebben wil derhalve eig. zeggen veel schulden hebben, diep in de schulden zitten, doch wordt tegenwoordig alleen van zedelijke schulden gezegd; vgl. ook den kerfstok vol hebben in den zin van zooveel op zijn geweten hebben, dat er niet meer bij kan (zie ook Villiers, 61) en hoog op stok (= kerfstok) loopen, duur wordenHarreb II, 308 a; Paffenr. 102.; 17de eeuw en thans nog dial. zijn kerfstok is van ijzer, hij kan geen kwaad doen, hem wordt alles vergeven (Boekenoogen, 412). Zie het Mnl. Wdb. III, 1345; Tuinman I, 137; Schuerm. 234 a; Afrik. dit gaan bo sy kerf, dat gaat hem te ver naar zijn zin, en vgl. no. 972. In Zuid-Nederland zegt men op 'nen nieuwen kerf beginnen, de oude schuld betalen en weer eene nieuwe maken (Waasch Idiot. 336 a; Teirl. II, 125); veel op zijn kerf hebben; zie Antw. Idiot. 1805; De Bo, 511, waar uit Poirters wordt aangehaald:

En soo ick 't u eens seggen derf,
Daer staet al veel op uwen kerf.

Zie nog Volkskunde X, 26; De Cock1, 44; Wander II, 1243-1244; vgl. het Friesche breaprikke en breastok (kerfstok van den bakker).

Syn. van kerfstok is lat; vgl. Boekenoogen, 560; Ze haalt alles op de lat; Köster Henke, 38: lat, kerfstok. Me olmse (vader) had daar aardig op de lat (op de pof, op crediet) gedronken; een lange lat, veel schuldNdl. Wdb. VIII, 1040.; Amst. 99: Op de lat drinken (syn. van op lef drinken); Slop, 15: Op de lat drinken heeft z'n tegen, is ook niet dàt!; bl. 37: De kastelein dacht er aan dat de kermis slecht ging en er van Pier breed op de lat stond; P.K. 150: Er is geen cent meer in huis, en 'k heb overal op de lat gehaald; Amst. 172: 'k Zal zien dat ik voor de kinderen wat melk en brood op de lat krijg; Jord. II, 330: Vader Tram! ..... schreeuwde Piet naar 't buffet..... geen druppel op de lat!; zie ook bl. 355 en 362; in Twente: wat an de latte hebben.

Ook foelie heeft de beteekenis van kerfstok (eig. blad uit een koopmansboek); Köster Henke, 17: foelie, kerfstok: Je hebt veel op je foelie; Zandstr. 58: Omdat hij al zooveel op zijn foelie had; Dievenp. 98: 't Is 'n schandaal! vloekt ie, om me als 'n boef op te knappen, als ik niks op m'n foelie heb; ook foelielat (zie Peet, 406). Eveneens is dial. bekend iets op den reutel halen (vgl. Menschenw. bl. 99; 210; 513Vgl. De Vries, 92: Reutel, been uit een varkenspoot, waarin een paar gaatjes zijn geboord. Door deze gaatjes wordt een touw gestoken en nu kunnen de kinderen er een snorrend geluid mee maken. Of dit hetzelfde woord is?); Jord. II, 368: Riek, die beweerde dat ze alles op den reutel kon krijgen wat ze hebben wou; Menschenw. 538: Hij zoop op den reutel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal