Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flierefluiter - (losbol)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flierefluiter* [losbol] {1861} waarschijnlijk is het eerste lid een variërende reduplicatie van het tweede, mogelijk ook van vlier1, waarvan kinderen fluitjes maken.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

flierefluiter: (vnl. in Vlaanderen) lichtzinnig persoon; losbol; pierewaaier; vrouwengek. In Nederland uitsluitend gewestelijk. ‘Flierefluiters oponthoud’ is een roman van A.M. de Jong.

Bellemie was in den hoek met enige flierefluiters aan ’t vrijen. (Stijn Streuvels, De teleurgang van de Waterhoek. 6de druk, 1964. 1ste druk 1927)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flierefluiter* losbol 1861 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal