Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fleer - (klap, oorvijg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fleer zn. ‘klap, oorvijg’
Vnnl. flere ‘klap, mep’ [1599; Kil.]. Andere gewestelijke en/of verouderde betekenissen van dit woord zijn: mnl. flocke-flere ‘vleier, slijmbal’ [1481; MNW], hierbij het ww. vnnl. fleren ‘talmen’ [1548; WNT Aanv.], fleeren ‘vleien’ [1626; WNT Aanv.]. Vnnl. flere ‘luie en lelijke meid’ [1599; Kil.]; Zuid-Nederlands flere ‘snijwond’ [WNT]. Het woord is ook als bn. bekend in dialecten: Maastricht fleer ‘slap, waterig’, Roermond fleer ‘zwak, onsolide’.
Herkomst onduidelijk. De betekenissen van dit woord en van de mogelijk verwante Germaanse woorden lopen zo uiteen dat het moeilijk is een gemeenschappelijke oorsprong vast te stellen. In de betekenis ‘klap’ wellicht een klankexpressief woord met grondbetekenis ‘heen- en weergaan’ (Hoptman 2000).
Verwant zijn wellicht: mhd. vlarre, vlerre ‘brede wond’, ndd. flarre, flirre, Oost-Fries flarre, flār ‘breed, plat voorwerp’; nfri. flear ‘vuile plek in langgerekte vorm’; daarnaast met -s: nnl. flaers ‘slons, slet’ [1620; WNT], dialectisch ook fleers en flers; nnl. flars ‘flard’ [1642; WNT], zie met -d- ook → flard.
Wellicht ontwikkeld uit pgm. *flazi of *flazja. Hiervan is de stam *flas-, zoals in on. flasa ‘dunne schijf; splinter’ (dialectisch Noors flasa ‘los afhangende lap van de schors’, flasa ‘afsplinteren’, dialectisch Zweeds flasa ‘afschillen’).
Lit.: Hoptman 2000; Schönfeld par. 50, opm. 1

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fleer*, flèr, fleers [draai om de oren, slordig wijf] {flere [slordig wijf] 1562; de betekenis ‘draai om de oren’ 1599} in het drents ook ‘lap’; het woord is zeker een jonge, wat vage klankschilderende vorming, met typische fl- anlaut, waarop de eerste betekenis het best lijkt aan te sluiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fleer znw. m. Kiliaen noemt reeds de beide nog levende betekenissen ‘oorveeg’ en ‘lui, lelijk meisje’; vgl. oud-nl. flaars, fleers ‘luie babbelaarster’ en in de dialecten fleers (Zaans) ‘klap’; ‘brijachtige massa’, flèèr (Drents) ‘slag in het gezicht; stuk, lap, slet’. Het woord behoort tot flard en flab en naar de betekenissen te oordelen, kan men eveneens uitgaan voor een woord, dat ‘iets los en slap afhangends’ aanduidt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fleer znw., sedert Kil.:“flęre. Alapa, colaphus: et Fland. Ignava et deformis puella”. Zaansch fleers = “klap” en “brijachtige massa”, oud nnl. flaars, fleers “luie babbelaarster”, dr. flèèr “slag in ʼt gezicht, stuk, lap, slet”. Onomatop.; vgl. meer dgl. woorden bij flab: een groot deel van de bett. kan uit de grondvoorstelling van “breed uithalen, breed uitgooien, smijten” worden verklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fleer 1, fleers v. (klap), onomat. De oorspronk. bet. is wel lap, vod; voor den overgang vergel. lap zelf, dat = 1. vod, 2 slag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

fleer, zn.: lichtzinnige vrouw, brutale vrouw; lap, klap, snee, jaap, wonde. Ook Br. ‘klap, mep, oplawaai; lichtzinnig meisje, del’, Ovl. flirre, Zvl. flère ‘kaakslag, mep, fleer, flard, tong, veeg, oorveeg; slet, slonzige, luie vrouw’. Vnnl. flere ‘oorveeg’ (Kiliaan), maar ook ‘slet’ (Kiliaan), 1562 flere, vadde oft vaeghwante, een meysen die niet fray en es ‘une faitarde ou lasche godde’ (Lambrecht). Vgl. Zaans fleers ‘klap’, Drents flèèr ‘oorveeg, lap, slet’. Woord met klankexpressieve fl waarvan de oorspr. betekenis - zoals van het verwante flard - ‘lap, lor’ zal zijn geweest, waaruit de twee andere betekenissen ‘klap’ en ‘slet’ zijn afgeleid. Vgl. Ndl. slet, slons.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

fleer 1, zn.: vleister. Ook ww. fleren of fluren ‘vleien’, Leuvens fleren ‘aaien, strelen, vleien’. Mnl. flocke-flere ‘vleier, slijmbal’, Vnnl. fleren ‘talmen’ (WNT), fleeren ‘vleien’ (WNT), Vgl. On. flâr ‘bedrieglijk’. Wellicht verwant met vleien, D. flehen.

fleer 2, flers, zn.: klap, mep, oplawaai; lichtzinnig meisje, del. Ovl. flirre, Zvl. flère ‘kaakslag, mep, fleer, flard, tong, veeg, oorveeg; slet, slonzige, luie vrouw’. Vnnl. flere ‘oorveeg’ (Kiliaan), maar ook ‘slet’ (Kiliaan), 1562 flere, vadde oft vaeghwante, een meysen die niet fray en es ‘une faitarde ou lasche godde’ (Lambrecht). Vgl. Zaans fleers ‘klap’, Drents flèèr ‘oorveeg, lap, slet’. Woord met klankexpressieve fl waarvan de oorspr. betekenis - zoals van het verwante flard - ‘lap, lor’ zal zijn geweest, waaruit de twee andere betekenissen ‘klap’ en ‘slet’ zijn afgeleid. Vgl. Ndl. slet, slons. Ook de Mechelse betekenissen ‘fluim; verkoudheid’ kunnen hieruit worden verklaard.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

flère zn. v.: kaakslag, mep, klap, oorveeg; veeg; flard, tong; slonzige, luie vrouw; vleier. Vnnl. flere ‘oorveeg’ (Kiliaan), maar ook ‘slet’ (Kiliaan), 1562 flere, vadde oft vaeghwante, een meysen die niet fray en es ‘une faitarde ou lasche godde’ (Lambrecht). Vgl. Zaans fleers ‘klap’, Drents flèèr ‘oorveeg, lap, slet’. Woord met klankexpressieve fl waarvan de oorspr. betekenis – zoals van het verwante flard – ‘lap, lor’ zal zijn geweest, waaruit de twee andere betekenissen ‘klap’ en ‘slet’ zijn afgeleid. Vgl. Ndl. slet, slons. Afl. opflère. Samenst. straatflere ‘straatmadelief’, straatfleren ‘op straat slenteren, de straat dweilen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

flirre (G), flère (ZV),zn. v.: kaakslag, mep, fleer (G), flard, tong, veeg, oorveeg, mep, slonzige, luie vrouw (ZV). Vnnl. flere 'oorveeg' (Kiliaan), maar ook 'slet' (Kiliaan), 1562 flere, vadde oft vaeghwante, een meysen die niet fray en es 'une faitarde ou lasche godde' (Lambrecht). Vgl. Zaans fleers 'klap', Drents flèèr 'oorveeg, lap, slet'. Woord met klankexpressieve fl waarvan de oorspr. betekenis - zoals van het verwante flard - 'lap, lor' zal zijn geweest, waaruit de twee andere betekenissen 'klap' en 'slet' zijn afgeleid. Vgl. flakke, fletse, flitter en Ndl. slet, slons.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

fleers klap, brijachtige massa (Noord-Holland). Wschl. klankschilderend woord bestaande uit oostnl., brab., utr. flèèr ‘oorveeg, klap’ (= bij Kiliaan voorkomend flere ‘klap’) met toegevoegde affectieve s.
Boekenoogen 210, Cornelissen/Vervliet 422, Hoppenbrouwers (1996) 118, Maasen-Goossens 76, EW 134.

flèèr vrouw (ong. bv. lichtzinnig of tamelijk brutaal) (brab., vel., utr., limb.), lap (limb.), snee, jaap (znl.), klap (div. dial.). (Brabant, Veluwe, Utrecht, Limburg, Zuid-Nederland, verschillende dialecten). Vergelijk voor het samengaan van de eerste twee betekenissen slet en slons. Mogelijk is er samenhang met fladderen: vergelijk vleermuis naast deens flädermus, maar ook met flard, dat weer te vergelijken is met mndd. vlerre ‘brede vormloze wond’, welke betekenis weer identiek is met ‘jaap’ (bij flèèr). Ook liggen de betekenissen ‘jaap’ en ‘klap’ bijeen. Mogelijk gaat de r via z op s terug (vgl. waren naast was) en is een verband met no.dial. flas ‘afhangend stuk schors’ en ono. flasa ‘splinter’ en lit. plãskana ‘hoofdroos’.
Van Schothorst 128, Maasen/Goosens 76, Cornelissen/Vervliet 433, NEW 169, IEW 834, EW 134, WNT III 4531.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

fleer (DB), zn. m. gevlei, vleierij. Ook ww. fleren ‘laag vleien’ (DB). Vgl. Vroegnnl. flere ‘alapa, colaphus (kaakslag); ignava et deformis puella (lui, lelijk meisje)’ (Kiliaan); Ndl. fleer ‘klap, mep; dik, slonzig wijf’, Drents fleer, fiere ‘klap; klodder; grote lap, doek; slordige vrouw’. Voor de paradoxale betekenissen ‘slaan >< vleien’, vgl. Mnl. fletsen ‘vleien’ en Wvl. fletsen ‘slaan’. Een van de vele klankexpressieve woorden met fl-..

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

flerts II: 1. (nie alg. bek. nie) by WAT in het. wat aansl. by flerrie (q.v.); 2. “klap, oorveeg” (Scho TWK 14, 1, bl. 12 met aanh. uit 1874) ook Ndl. (en dial.) fleer(s)/fler en wsk. verb. m. flerts I en ook kn.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Flerts snw., ww. Die woord staan as Afrikanisme opgeteken in die Patriotwoordeboek in die sin van E. “box on the ear,” “to box ones ears.” – Boekenoogen 210: “Fleers, klap, draai om de ooren... Fleerzen, slaan, iemand een fleers in het gezicht geven;” Hoeufft: “Flers, oorvijg.” In ’n vorm sonder –s is die woord meer bekend in die Ndl. dialekte (reeds Kiliaen: Flere), so Boekenoogen 1308: Fler: Ter Laan 222: Fleer. Gallée 12: Flèr, flère; Van Schothorst 128: Flèr, Dek 32; Flêr, Corn. en Vervl.: Flèèr.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal