Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fiscaal - (betreffende de belastingen; belastingambtenaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fiscaal bn. ‘betreffende de belastingen’
Vnnl. fiscael “dat totter Vorsten schat behoort” (‘dat tot de schat van de Vorst, de staatskas behoort’) [1553; van den Werve]; nnl. de Fiscaele Saecken ‘belastingzaken’ (als vertaling van Frans causes fiscales) [1763; WNT].
Ontleend aan Latijn fiscālis ‘betreffende de belasting’, een regelmatige afleiding van fiscus ‘(keizerlijke) kas’, zie → fiscus.
fiscaal zn. ‘openbaar eiser in zaken van de fiscus’. Eerst vooral in samenstellingen, bijv. vnnl. Advocaet Fiscael [1531; WNT Supp. advocaat I], waterfiscael “voormalig ambtenaar in Nederlands-Indië belast met het toezicht op den zeehandel en het vervolgen van overtredingen ten aanzien daarvan” [1666; WNT], nnl. Lands-Fiskaal [1791; WNT resident II], maar ook al vroeg fiscael ‘rechterlijke ambtenaar voor de schatkist’ [1537; MNW], “graaflijckheyts-versorger” [1650; Hofman]. Verkorte vorm van voornoemde titels waarin fiscael nog als adjectivisch element opgevat kan worden, zoals ook in samenstellingen met een tweede lid → generaal 1. In het Zuid-Afrika van tijdens het Hollandse bewind was de fiskaal de hoogste functionaris.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fiscaal [m.b.t. de belastingen] {1767} < frans fiscal < latijn fiscalis [de schatkist betreffend], van fiscus (vgl. fiscus).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1fiskaal s.nw.
1. (histories) Regterlike amptenaar wat veral moes waak oor geldsake. 2. Regsbeampte wat omgesien het na die alg. belange van die gemeenskap, byvoorbeeld as wateropsigter.
Uit Ndl. fiscaal (sedert 16de eeu) 'geregsamptenaar wat waak oor die regte van onder andere die fiskus'. Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die vorm fiscael. In 1689 is hierdie pos aan die Kaap ingestel en is deur die verskillende tydperke van Hollandse bewind behou. Tot in 1785 beklee die fiskaal, wat slegs aan die Here XVII verantwoordelik was, die ampte van prokureur-generaal, openbare vervolger, hoofmagistraat, doeanebeampte en polisiehoof. Na die Eng. oorname van die Kaap in 1806 is die fiskaal se pligte mettertyd aan ander amptenare oorgedra.
Ndl. fiscaal uit Fr. fiscal uit Latynse adj. fiscalis 'wat die geldkas betref' uit s.nw. fiscus 'geldkas'.
S.A.Eng. fiscall (1696).

2fiskaal s.nw.
Voël met 'n V-vormige wit rugmerk.
Afleiding van fiskaal (1fiskaal), wsk. so genoem omdat die voël, soos die amptenaar, insamelingswerk doen deur insekte en klein diertjies as 'n kosvoorraad te vergaar, of omdat die voël net so deur kleiner voëltjies en diertjies gevrees word as wat die beampte tydens die VOC-bewind deur die koloniste gevrees is. Dieselfde voël wat in die Kaap fiskaal genoem word, heet Jacky Hangman in die voormalige Natal (Silva 1996).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1888).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fiskaal: regsbeampte, veral i.v.m. die skatkis, later ook t.o.v. die alg. belange v. d. gemeenskap (vgl. waterfiskaal); Ndl. fiscaal/fiskaal (sedert 16e eeu, by vRieb fiscael) uit Lat. fiscalis, adj. by fiscus, “beurs”; in S.A. ook toeg. op voëls. (spp. Lanius, fam. Laniidae) sedert 18e eeu, wsk. vanweë sy insamelingswerk (hy vergaar voëltjies en goggas vir later voedselvoorrade), ook bek. as janfiskaal en laksman; v. verder Scho PD 61, asook kanariebyter.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fiscaal ‘m.b.t. de belastingen’ -> Indonesisch fiskal ‘m.b.t. de belastingen’; Boeginees pasikâla ‘m.b.t. de belastingen’.

fiscaal ‘rechterlijk ambtenaar die voor de belangen van de soeverein of voor de rechten van de fiscus waakte, openbare aanklager’ -> Engels fiscal ‘rechterlijk ambtenaar; klauwier (Zuid-Afrika)’; Indonesisch fiskal ‘ambtenaar belast met staatsbelangen, openbare aanklager’; Javaans † beskal, biskal ‘officier van justitie’; Madoerees biskal, piskal ‘inlandse hoofdofficier van justitie’; Makassaars pasikâla, pasikâlá ‘officier van justitie’; Singalees piskal ‘rechterlijk ambtenaar’ (uit Nederlands of Portugees); Tamil dialect piskkāl ‘rechterlijk ambtenaar, hoofd van politie’; Amerikaans-Engels † scule, scol ‘rechterlijk ambtenaar’; Papiaments fiskal ‘officier van justitie’; Sranantongo fiskari ‘openbare aanklager’; Arowaks fiscal ‘rechterlijk ambtenaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fiscaal m.b.t. de belastingen 1767 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

fiscale amnestie, in België: het door fiscale fraudeurs ontlopen van strafvervolging op voorwaarde dat ze een eenmalige volledige fiscale aangifte verrichten. Ze krijgen van de overheid gedurende een bepaalde periode alsnog de kans om belastingen te betalen en op die manier hun illegale situatie recht te trekken. Bedoeld om de witteboordencriminaliteit aan te pakken. Het begrip dook al in het midden van de jaren negentig op. In 1997 werd er door de christen-democraten een wetsvoorstel over ingediend dat aanvankelijk op veel kritiek stuitte.

Het partijbureau van de CVP heeft zich vorige week maandag beraden over het wetsvoorstel tot fiscale amnestie dat is uitgewerkt door de Antwerpse professor Victor Dauginet. Het voorstel lekte enkele dagen terug uit via ‘De Standaard’. (De Morgen, 10/11/97)

fiscale vluchteling, iemand die omwille van de belastingen naar een fiscaal gunstiger land verhuist. Pejoratief.

‘Fiscale vluchtelingen’ worden ze genoemd, maar directeur Smulders houdt niet van die benaming. Hij is een van hen. Negen jaar geleden kocht hij een stulpje in Poppel, niet ver onder Tilburg. Smulders en zijn gezin ontdekten dat er ‘grote cultuurverschillen’ waren tussen Nederlanders en Belgen en dat er bij hen en andere geëmigreerde landgenoten behoefte bestond aan informatie in de breedste zin van het woord. (NRC Handelsblad, 14/05/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal