Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fikkie - (keeshond, hond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fik 1 zn. ‘keeshond, hond’
Nnl. stadstuintjes, groot genoeg om Mops of Fick uit te laten [1901; Boon], fik, fikhond “soort van langharigen hond met spitsen snuit en spitse ooren” [1919; WNT], fikkie ‘koosnaam voor een hond in het algemeen’ [1919; WNT]. Eerder al wel (alleen bij Beets) fikshond [1839; WNT], zo ook in de eerste Koenen (1897).
Herkomst onbekend. Wrsch. is de samenstelling ouder dan het simplex. De keeshond werd in het verleden meestal als een minderwaardig soort hond gekarakteriseerd. Men zou daarom kunnen denken aan verband met het Duitse werkwoord ficken ‘neuken’ zoals dat bij → fikken 2 ‘goed branden’ is beschreven. Over een eventueel Duits woord fickhund is echter niets bekend.
Lit.: Boon: Boon's Geïllustreerd Magazijn, Jaargang 3 (1901), sept., 123b

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Fikkie [hond] {1901-1925} etymologie onbekend.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fikkie hond 1916 [WNT fik I] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal