Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fikken - (vingers)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fikken 1 zn. mv. ‘vingers’
Nnl. fikken ‘vingers’ in met hun fikken [ervan] afblijven [1906; WNT]. Nog eerder in andere vormen: fikfak ‘wijsvinger’ [1899-1906; WNT fikfakken] in Zuid-Nederlandse kindertaal (nu verouderd); mnl. fikkere ‘middelvinger’ [1351; MNHWS], dat slechts eenmaal is aangetroffen in een medicinaal handboek uit de veertiende eeuw (zie Elaut 1972). Bij Kiliaan vormen met v-: vijghe ‘middelvinger’ [1588], aldaar ook de uitdrukking de vijghe seiten oft gheven ‘de middelvinger tonen, iemand met verachting en spot bejegenen’.
Wrsch. een woord uit de volkstaal en daardoor met weinig schriftelijke attestaties. De herkomst is dan ook onzeker. Bij de oude attestatie fikkere kan misschien worden gedacht aan een nomen agentis bij de algemene betekenis ‘heen en weer bewegen’ van mnl. fikken, zie → fikken 2 ‘branden’. Gezien de vormen bij Kiliaan kan er ook verband zijn met Latijn fīcus ‘vijg’ (zie → vijg). Hierbij kan gedacht worden aan de Franse uitdrukking faire la figue, letterlijk ‘een vijg maken’, maar eigenlijk ‘iemand bespotten’ en in het verleden ‘een obsceen gebaar maken met de duim tussen twee vingers of in de mond’ (Morris 1980). Ook een gedenasaleerde meervoudsvorm van → vinger hoort tot de mogelijkheden.
Lit.: L. Elaut (1972), ‘Etymologie en betekenis van enige leen- en bastaardwoorden in de vaktaal van Johan Ypermans Medicina’, in: LB 61, 13-28; D. Morris e.a. (1980), Gebaren, hun oorsprong, betekenis en gebruik, Utrecht/Antwerpen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fikken1* [vingers] {1894-1908} mogelijk gedenasaleerd uit vingers en wellicht o.i.v. fikkelen, figgelen [onhandig hakken], waarvan de grondbetekenis is ‘kleine, vlugge bewegingen’ maken; vgl. middelnederlands fikkere [middelvinger].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fik 2 meestal in het mv. ‘blijf er met je fikken af’, het eerst opgetekend 1906, maar zal zeker ouder zijn. Volgens Heeroma Ts 61, 1942, 81-117 uit het taalmateriaal van vinger, maar daarnaast zeker ook wel invloed van de vele woorden voor ‘met de vingers betasten’, waarvoor zie onder figgelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

fikke (zn.) mv. vingers; Nuinederlands fikken <1894-1908>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fikken* vingers 1894-1908 [WNT fik II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal