Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fiets - (rijwiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fiets zn. ‘rijwiel’
Nnl. viets of fiets [ca. 1870; Sanders 1997b, 25]; dit betreft een persoonlijke waarneming door de voormalige directeur van een Apeldoornse kostschool, in een ingezonden brief in het maandblad De Kampioen van 1901; hij had dit woord destijds gehoord van een van zijn leerlingen. Een onafhankelijke persoonlijke waarneming van fiets, in Leeuwarden, dateert van een jaar later [1871; Sanders 1997b, 21]. Eerste schriftelijke attestatie: viets [1886, Arnhemsche Courant; Sanders 1997b, 20], in hetzelfde jaar ook fiets.
Herkomst onzeker. Er zijn in de loop van de 20e eeuw vele hypothesen gesteld, maar geen ervan is wetenschappelijk te bewijzen. Voor een uitgebreide samenvatting inclusief literatuurverwijzingen, zie Sanders 1997b. Het meest wrsch. is volgens hem (p. 37-39) de aanname van Linssen (1914) dat viets is ontstaan uit een Zuid-Limburgs dialectisch werkwoord vietse ‘hard lopen, zich snel voortbewegen’ (vergelijk ook Noord-Limburgs fiette in dezelfde betekenis). De Bont (1973) bevestigt dit aan de hand van eenzelfde werkwoord fietsen in een dialect uit de regio Eindhoven. Deze woorden gaan vermoedelijk terug op het Franse bn. vite ‘snel’.
De minder wrsch. hypothesen zijn: a) fiets is ontstaan als verbastering, via vormen als fieselepee en fietsepee, van vélocipède (zie → velo), dat al in 1824 ontleend was aan Frans vélocipède, letterlijk ‘snelvoet’. Waarschijnlijker is echter het omgekeerde: dat fietsepee een contaminerende vorm is onder invloed van fiets. Gedurende lange tijd, zeker nog tot aan de Tweede Wereldoorlog, zijn namelijk beide woorden vélocipède en fiets, naast elkaar gebruikt (vélocipède uiteindelijk nauwelijks nog anders dan schertsend). De vélocipède werd bereden door de hogere klasse, die met wielrijden is begonnen; ook toen het volk ging fietsen, gaf het eerst nog de voorkeur aan het chiquere Franse woord. Het dialectwoord fiets verspreidde zich via school- en dorpsjongens, en kreeg uiteindelijk de overhand, vermoedelijk omdat het veel korter was en er beter afleidingen van konden worden gevormd, zoals het werkwoord fietsen. In officieel en ander schriftelijk taalgebruik heeft dat nog langer geduurd: gedurende een groot deel van de periode na de Tweede Wereldoorlog gaf men daarin de voorkeur aan → rijwiel. b) Allerhande voorstellen over tussenwerpsels en klanknabootsingen (ffftsss! en dergelijke) zijn nog minder wrsch. c) Lang is gedacht aan verband met de familienaam Viets of Fiets, die teruggaat op de heiligennaam Vitus. De Wageningse smid Elie Cornelis Viets (1847-1921), aan wie soms de verbreiding van het woord fiets wordt toegeschreven, had zijn bedrijf pas vanaf 1885, dus pas ca. 15 jaar na het eerste voorkomen van het woord fiets. Hij verhuurde vanaf 1889 vélocipèdes en claimde pas later dat de fiets naar hem was genoemd. De chronologie maakt deze aanname onhoudbaar. Als familienaam komt Fiets overigens vooral rond de Veluwe voor [1973; de Bont].
De verspreiding van het woord is in het Nederlandse spraakgebruik uiteindelijk razendsnel verlopen. Voor het BN mag fiets als een zeer recent en snel aan populariteit winnend leenwoord beschouwd worden; de synoniemen velo (vooral in de dialecten) en rijwiel (vooral in officiële geschriften) zijn in België echter even bekend, en ten opzichte van Nederland wijder verbreid. Buiten het Nederlands komt dit woord alleen nog voor in Fries fyts, Afrikaans fiets (met daarbij het werkwoord fietsry ‘fietsen’) en in Indonesisch pit ‘fiets’ (naast het gewonere sepeda < vélocipède).
fietsen ww. ‘zich met een fiets voortbewegen’. Nnl. fietsen [1890; Sanders 1997b, 19]. Afleiding van fiets.
Lit.: L. Linsen (1914), ‘Iets over fiets’, in: Bijblad voor Taal en Letteren 2, 144; C.B. van Haeringen (1950), ‘Dialectologie en etymologie’, in Gramarie 1962, 92; A.P. de Bont (1973), ‘Fiets’, in NTg 66, 19-54; E. Sanders (1997b), Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord, Den Haag/Antwerpen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fiets1 [rijwiel] {1886} etymologie onbekend, ondanks diverse pogingen tot verklaring. Het woord is omstreeks 1870 in Apeldoorn en Leeuwarden gesignaleerd. Mogelijk is het ontstaan uit het oudere dialectwoord vietsen [zich vlug verplaatsen]. Een verbastering uit frans vélocipède ligt minder voor de hand, omdat de vele verbasteringen hiervan, zoals vielesepee, pas zijn aangetroffen nadat fiets werd gebruikt. Het is in geen geval afgeleid van de Apeldoornse rijwielhandelaar E.C. Viets (1847-1921), zoals vaak is gesuggereerd: onder kostschooljongens in de buurt werd fiets al gebruikt voordat Viets zijn handel begon.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fiets znw. m. v., typisch woord voor ‘rijwiel’, dat alleen als officiēle benaming zich kon handhaven. Ofschoon eerst omstr. 1870 ontstaan, kan men de herkomst van het woord niet met zekerheid vaststellen.

Er zijn drie verklaringen gegeven: 1. een klanknabootsend woord; de onverwachte snelheid wekte verbazing: ‘fts, zo is hij weg’. Van Haeringen NT 50, 1957, 128 (waar oudere literatuur) wijst op een analoog geval in het westfaalse flitzepee naast flitzen ‘snel gaan’ vgl. ook nl. dial. fieteren ‘zich snel bewegen’. Maar deze vorm wijst reeds op een afl. van fiets uit een ander woord. — 2. ontstaan uit fra. vélocipède, dat in het volksgebruik allerlei veranderingen moest ondergaan; uitvoerig verdedigd door Burgersdijk Album-Vercoullie I, 1927, 69-72 en nog eens uitvoerig door K. Heeroma Ts. 63, 1944, 1-55, waartegen Knuttel Ts. 65, 1947, 23-4 opmerkt, dat het woord vélocipède juist in het algemeen vermeden werd, zeker in de kringen, waar gefietst werd. — 3. Knuttel t.a.p. leidt het woord af van de rijwielhandelaar Viets in Wageningen, maar W. de Hoog, Studiën over Nederl. en Eng. taal en letterkunde I, 2, 1909, 193 zoekt weer verband met de naam Fitz van een eng. fabrikant. Deze verklaringen zijn wel zeer twijfelachtig. — Misschien is nog het eerst te denken aan een woord, dat een snelle beweging aanduidt.

fiets [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens J. L. Pauwels, LBijdr 54, Bijblad 77 [1965] is een ‘voor de hand liggende verklaring: verkorting uit een van de talrijke vervormingen van vélocipède (in casu felosipee > filesepee > fiselepee> fiets(elepee))’. De vormen fiselepee en fietselepee zijn echter niet opgetekend (zie WNT XVIII, 1641 [1955]) doch blijkbaar achteraf verzonnen. Men hoeft bij deze afleiding geenszins aan te nemen dat fielesepee ‘met omzetting fieselepee werd’, zoals J. H. van Lessen, Ts 62, 119 [1942] (die de afleiding uit vélocipède afwijst) schrijft. Als fiets uit vélocipède is vervormd, kan men denken aan een verkorting van gron. fiedelsepee >fiedsepee > fiets.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fiets znw. Nnl. woord, in 1870 ontstaan (hoe?) te Apeldoorn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fiets, zal wel met een lichte (eventueel met Overdiep Taaltuin 2, 378 klank-symbolische) vervorming verkort zijn uit ouder, dial. nog niet onbekend vielesepee < fr. vélocipède. Vgl. W. de Vries Hyperkorr. 7. Datum en plaats van ontstaan is niet zo zeker als in het art. wordt aangegeven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fiets v. (rijwiel), schertsend uit bijv. en bijw. fiets, Wvl. fijts = rap: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fiets s.nw.
Voertuig met twee wiele wat aangedryf word deur pedale te trap.
Uit Ndl. fiets (1886).
Die etimologie van Ndl. fiets is onbekend, al is dit 'n jong woord.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fiets: “rywiel”, (vroeër ook) ysterperd en (skerts.) baiesukkel; Ndl. fiets; etlike afl. voorgestel, o.a. 1. kn.; 2. eien. (Ndl. Viets en Eng. Fitz) en 3. dial. Ndl. vielesepee uit Fr. vélocipède uit Lat. velox, “snel”, en pes (gen. pedis), “voet” – die WFa. jlitszepee by dVri J NEW kan ’n volkset. vorm hiervan wees.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fiets ‘motor’ (bet. van Engels bike)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

fiets. De verwensing ga fietsen jatten! is een vrij onschuldige vloek. De emotionele betekenis is ‘ik kots van je’. Opgegeven voor Hengelo (Ov) en omgeving. Een zegsman uit Roosendaal vermeldde ook nog ga toch fietsen stelen in de rimboe! In geval van ongeloof, verontwaardiging en andere irritatie komen ook de volgende varianten voor: ga fietsen jatten, stelen op de Dam/het Damrak! en ga jij maar fietsen stelen achter het stadhuis! Die laatste hoorden Sanders en Tempelaars (1998) in Amsterdam. → fietsen.

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

fiets, rijwiel
In 1869 deed Matthias de Vries in het Leidsch Dagblad een oproep om het Franse woord vélocipède te vervangen door een Nederlands woord. ‘Nu het gebruik van dit snelle vervoermiddel zoo toeneemt’, aldus de vooraanstaande Leidse hoogleraar, ‘is het ook wel raadzaam dat wij er een Nederlandsch woord voor bezitten. Vélocipède is op den duur niet bruikbaar, en voor iedere samenstelling ongeschikt. In den mond des volks zou het binnenkort onvermijdelijk tot vloospeet verbasteren, en daarmede zou de taal weinig gediend zijn!’
’Ik zou dus voorstellen’, besloot hij, ‘wieler, het voertuig; wieleren, het berijden; wielenaar, de berijder.’
De Leidse hoogleraar Jakob Verdam herhaalde deze oproep in 1885, maar toen was het al te laat. Twee jaar later signaleerde het tijdschrift Noord en Zuid als eerste het woord fiets, met als kanttekening: "t Woord wint veld en dreigt "rijwiel" te overvleugelen.’
Het begrip vélocipède moet omstreeks 1825 in Nederland zijn geïntroduceerd en werd toen gebruikt als synoniem van draisine. De draisine was een houten, bestuurbare loopfiets die in 1817 werd uitgevonden door de Duitse houtvester Karl von Drais von Sauerbronn [1785-1851]. ‘Met eenige oefening was men in staat’, schreef Witsen Geysbeek in 1836, ‘op zulk een wagentje in één uur tijds omtrent anderhalf uur wegs te gaan. [...] Eene wijl zijn deze Vélocipèdes zeer in de mode geweest [...] thans is de uitvinding bijna weder geheel in het vergeetboek geraakt.’
Technische verbeteringen zorgden in 1866 voor een doorbraak. In dat jaar introduceerden de Parijse wagenmakers Pierre en Ernest Michaux de Michaux-vélocipède of michauline: een ijzeren fiets, met trappers op het draaibare voorwiel, dat ongeveer een kwart groter was dan het achterwiel.
Vanaf 1868 waren de Michaux-vélocipèdes te koop bij de metaalwarenfabrikant J.T. Scholte in Amsterdam, algemeen beschouwd als de eerste rijwielhandelaar in Nederland. Daarna ging het razendsnel. In 1869 werd in Amsterdam de eerste ‘Rijschool voor vélocipédisten’ geopend en richtte de smid Henricus Burgers in Deventer de Eerste Nederlandsche Fabriek van Vélocipèden op. De eerste fietsclub (‘Immer Weiter’) volgde in 1871 en spoedig waren het er zo veel, dat op 1 juli 1883 de ‘Nederlandsche Vélocipédisten Bond’ werd opgericht. Twee jaar later werd, onder invloed van het voorstel van Matthias de Vries, deze naam veranderd in ‘Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond’ (anwb).
Het is duidelijk dat de bondsbestuurders bij de keuze van deze nieuwe naam niet naar hun jeugdige leden hebben geluisterd, want die spraken al vanaf ongeveer 1870 van fiets en fietsen. ‘Voor de verklaring van fiets’, schreef J.A.N. Knuttel in 1947, ‘voel ik er het meest voor uit te gaan van de naam van de Wageningse rijwielhandelaar Viets. Levendig herinner ik mij mijn verbazing, toen ik, in 1890 in Gelderland zijnde, de naam las van de handelaar die net zo heette als zijn artikel. Wageningen was een kleine plaats, maar het had zijn landbouwschool [...] met een groot percentage Hagenaars van Indiese geboorte — juist een kring waar reeds vroeg druk gefietst werd. De zaak van Viets was ook geen kleine zaak en Arnhem was in het bezit van een der weinige wielerbanen.’
Al in 1901 had een andere letterkundige deze handelaar geïdentificeerd als ‘bondrijwielhersteller’ E.C. Viets, woonachtig in de Hoogstraat 229 in Wageningen, maar of de fiets werkelijk naar hem is genoemd wordt sinds lange tijd betwijfeld. Dit zijn enkele andere verklaringen: 1. fiets is een verbastering van vélocipède — van filesepee, fietseleepe, fiesselepee, fiesse naar fiets; 2. ‘Fiets, dat is een woord, niet gefabriceerd, maar geworden, ontstaan als een pure uiting van wat bij het zien van dat ding in de ziel omging’, aldus een ANWB-lid in De Kampioen van 1901; 3. fiets werd voor het eerst gebruikt door leerlingen van een kostschool in Apeldoorn die lid waren van een fietsclub ‘La Vitesse’ - vitesse werd verbasterd tot fiets; 4. fiets is een klanknabootsing van het piepend-sissende geluid ‘fiets-fiets-fiets’ dat een vélocipède maakte als de voorwielas niet op tijd was geolied; 5. fiets is een klanknabootsend woord van de snelheid van het voertuig: ‘fts, zo is hij weg’ ; 6. fiets is afgeleid van de familie- of bijnaam Fiets, die teruggaat op een oud werkwoord fietsen, dat in Brabantse en Limburgse dialecten zoveel betekent als ‘zich met lichte, vlugge bewegingen verplaatsen’ ; en 7. fiets is afgeleid van Fitz, de naam van een Engelse rijwielfabrikant.
Taalkundigen zaten bovenop de opmars van de vélocipède in Nederland. Maar al vijftien jaar nadat het woord fiets voor het eerst werd gebruikt, wist niemand meer wat precies de herkomst was.
Andere begrippen met betrekking tot de fiets die teruggaan op een persoon: carter, Frans voor kettingkast, naar de Engelse uitvinder J.H. Carter [f1903]; coslettize of coslettizer, Engels voor een procédé om het frame van een fiets roestvrij te maken, omstreeks 1907 uitgevonden door een zekere Mr Coslett; dunlopbanden, opblaasbare fietsbanden van rubber, door de Ier John Boyd Dunlop [1840-1921] in 1887 voor het eerst gemaakt voor de fiets van zijn zoontje; en de otto, een bepaald soort fiets, in 1877 in Engeland uitgevonden door een zekere Otto - de berijder van dit rijwiel werd ottoist genoemd. La petite Reine, Frans wielerjargon voor fiets, is volgens het Wielerwoordenboek ‘genoemd naar koningin Wilhelmina, die als klein meisje al fietste’. De hier en daar te vinden bewering dat de tandem zo is genoemd naar de edelman Tandem, stalmeester van een Engelse koningin, is absoluut onjuist.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Fiets (rijwiel) naar den Engelschen fabrikant Fitz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fiets ‘rijwiel’ -> Duits Fiets, Fietse ‘rijwiel’; Indonesisch pit ‘rijwiel’; Ambons-Maleis pits ‘rijwiel’; Javaans pit ‘rijwiel’; Menadonees fits ‘rijwiel’; Surinaams-Javaans pit ‘rijwiel’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

Fiets. Het typisch Nederlandse woord fiets, waarvan de herkomst nog steeds onzeker is, is door een aantal talen overgenomen. Op Ambon (Molukken) zegt men pits (uitgesproken met een /ie/) - in de Indonesische talen komt oorspronkelijk geen /f/-klank voor en daarom wordt de f in Nederlandse leenwoorden vaak vervangen door een p. In het Javaans zegt men pit. In het Indonesisch (Bahasa Indonesia) heeft men de ouderwetsere benaming velocipède uit het Nederlands geleend; dit is in het Indonesisch sepéda geworden, waarbij het eerste deel, velo-, is vervallen. Een bromfiets heet in het Indonesisch sepéda kumbang (kumbang is een zoemend insect) of brompit. Een motorfiets is een sepéda motor, vroeger sprak men ook wel van een motorpit.

Ook in Noord-Duitsland is het woord fiets bekend. Het normale Duitse woord is Fahrrad, maar in bijvoorbeeld Nordhorn en omgeving wordt dit woord steeds vaker vervangen door fiets. Men kan Fiets lezen op winkelpuien en in etalages van fietsenwinkels. Al langer is in Duitsland het woord bromfiets bekend: volgens het Wörterbuch der deutschen Umgangssprache van Küpper wordt dit woord al sinds 1955 in de tienertaal gebruikt in plaats van het normale woord Moped.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

rijwiel [fiets] (1869). In 1869 worden de termen rijwiel en wielrijder gemunt door de Utrechtse letterkundige Alfred Buijs. Vanaf 1886 wordt in de spreektaal fiets gebruikt, waarvan de herkomst tot op heden onzeker is. Neerlandicus Jan te Winkel zegt in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “Toen omstreeks 1870 het woord velocipède hier meer algemeen bekend werd, voorzag [neerlandicus Matthias] De Vries reeds den grooten opgang, dien dit vervoermiddel zou maken, en stelde hij in het Leidsche Dagblad een Nederlandsch woord voor, om het lange vreemde woord te vervangen. Hij dacht wieler uit, met de samenstellingen tweewieler en driewieler en de afleidingen wieleren en wielenaar. Doch de liefhebberij nam toen spoedig weer af en de voorgestelde woorden raakten in vergetelheid, tot een jaar of vijftien later de liefhebberij opnieuw ontwaakte en tot een waren hartstocht aangroeide. De naam velocipède was intusschen meer en meer verdrongen door het veel kortere fiets, waarvan niemand totnogtoe den oorsprong heeft kunnen opsporen. En naast deze fiets kwam ook de tandem in gebruik. In de spreektaal zijn deze woorden nu de meest gewone, maar het gebruik van een Nederlandsch rijwiel (met rijwielschool) begint toch reeds meer en meer door te dringen met wielerbaan en het werkwoord wielrijden, dat zelfs gepatroniseerd is door den wielrijdersbond.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fiets rijwiel 1886 [Sanders 1997b] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal