Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ficus - (plantengeslacht)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ficus [plantengeslacht] {1285 in de betekenis ‘vlezige aangroeiing, vijg’} < latijn ficus [vijgenboom, vijg], grieks sukon; het lat. en het gr. woord stammen uit een zelfde Aziatische bron, vgl. hebreeuws pagh [halfrijpe vijg] → fijt, vijg.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ficus (Latijn ficus)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Ficus L. [C. Linnaeus] / ficus, - oude Lat. plantennaam, vijgeboom, vijg. Als soortnaam gebezigd voor planten, welker vruchten op vijgen gelijken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ficus plantengeslacht 1911 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal