Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fanatiek - (dweepzuchtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fanatiek bn. ‘dweepzuchtig’
Nnl. fanatique ‘hartstochtelijk’ in eene oproerige en fanatique Redenvoeringe [1789; WNT uitgalmen], fanatiek ‘dweepziek’ [1824; Weiland].
Ontleend aan Frans fanatique ‘die denkt door God geïnspireerd te zijn’ [1532; Rey], ‘dweepziek’ [1580; Rey], ontleend aan Latijn fānāticus ‘geestdriftig’, een afleiding bij fānum ‘heiligdom’, ontwikkeld uit *fasnom dat verwant is met fēstus ‘feestelijk’, zie → feest.
Het woord duidde oorspr. de door een godheid geïnspireerde extase aan. Tot in de 18e eeuw behield het woord zijn religieuze connotatie, daarna begon het meer algemeen ‘hartstochtelijk, dwepend’ te betekenen.
fanatiekeling zn. ‘dweper, enthousiasteling’. Nnl. fanatiekeling ‘id.’ [1937; Koenen]. Afleiding met → -ling. Eerder was in deze betekenis ook wel fanaticus [1824; Weiland], [1868; WNT Aanv.] in gebruik. ♦ fanaat zn. ‘dweper, enthousiasteling’. Nnl. fanaat [1974; WNT Aanv.]. Wrsch. een verkorting van het verouderde fanaticus. Vaak als tweede lid in samenstellingen gebruikt, bijv. golffanaat ‘iemand die bezeten is van golf, zeer veel golft’. Het nauw verwante Engelse leenwoord → fan heeft uiteindelijk dezelfde oorsprong en wordt ook veel in samenstellingen gebruikt, maar benadrukt met name de interesse in andermans bezigheden, bijv. golffan ‘iemand die de ontwikkelingen in golf(top)sport met grote interesse volgt’, iets wat een golffanaat overigens ook kan doen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fanatiek [bezeten] {1796} < frans fanatique < latijn fanaticus [door een godheid in vervoering gebracht, bezeten, buiten zinnen], van fanum [gewijde plaats; heiligdom, tempel] → feest, profaan.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

fanatiek

Via het Franse fanatique is ons woord fanatiek ontleend aan het Latijnse fanaticus. Tot in de 19e eeuw werd het slechts gebruikt in de zin van: bezield door een blinde geloofsijver. Dit is geheel in overeenstemming met de oorspronkelijke betekenis. Het woord fanum duidde namelijk aan: een aan de Godheid gewijde plaats, dus een heiligdom of tempel. Een fanaticus was dus een door de Godheid bezetene. De meer algemene betekenis die wij thans aan het woord hechten, is van jongere datum en heeft een wat politieke kleur. Tot dezelfde familie behoort het woord profaan, dat eigenlijk betekent: wat zich vóór, dus buiten het heiligdom bevindt en dus: werelds, onkerkelijk en zelfs: heiligschennend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fanatiek ‘bezeten’ -> Fries fanatyk ‘bezeten’; Indonesisch fanatik, panatik ‘bezeten’; Jakartaans-Maleis panatik ‘bezeten’; Menadonees fanatik ‘bezeten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fanatiek bezeten 1796 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal