Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fakkel - (toorts)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fakkel zn. ‘toorts’
Mnl. uaccle ‘fakkel’ [1240; Bern.], mit lanternen ende mit vackelen ende mit wapene ‘met lantaarns en toortsen en wapens’ [1399; MNW-P], vackel [1477; Teuth.], fackele [1480; MNW].
Oude ontlening, via vulgair Latijn facla, aan klassiek Latijn facula ‘toorts, fakkel’, verkleinwoord bij fax (genitief facis) ‘fakkel’, waarvan de verdere etymologie onduidelijk is.
Via dezelfde weg zijn ontleend: os. fakla ‘id.’ (mnd. fackel); ohd. fackala ‘id.’ (nhd. Fackel).
Geminatie (medeklinkerverdubbeling) vond in de West-Germaanse talen wel vaker plaats voor l of r, zoals bijv. ook in → akker. De f- in anlautpositie zou in het Nederlands bij zo'n oude ontlening klankwettig v- moeten zijn geworden en in het Middelnederlands vindt men die vorm ook inderdaad terug. Dat uiteindelijk toch de vorm met f- de norm is geworden, is wellicht te danken aan de blijvende vorm- en betekenisassociatie met Latijn facula en misschien de invloed van Duits Fackel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fakkel [toorts] {fackel(e), uaccle 1201-1250} < latijn facula [(kleine) fakkel], verkleiningsvorm van fax (2e nv. facis) [spaanders, fakkel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fakkel znw. v., mnl. fackele, fackel v., evenals ohd. facchala, nhd. fackel met rekking van de consonant, vgl. os. fakla < lat. vulgair-lat. facla < lat. facula, dat in de keizertijd het oude fax verdringt. Rechtstreeks uit lat. facula komt oe. fæcele.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fakkel znw., mnl. fackele, fackel v. Evenals ohd. facchala (nhd. fackel), os. fakla v. uit vulgairlat. facʼla. Ags. fæcele v. met ook bij dit leenwoord ingevoerden suffix-ablaut -ul-: -il- uit lat. facula “fakkel”. Voor de ndl. f (niet v) vgl. sukkelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fakkel v., Mnl. id. gelijk Ohd. facchala (Nhd. fackel) en Ags. fæcele, uit Lat. faculam (-a), dimin. van fax gen. facis = fakkel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fakkel (Latijn facla)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fakkel ‘toorts’ -> Negerhollands fackel ‘toorts, vlam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fakkel toorts 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal