Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

extreem - (uiterst, bovenmatig), (het uiterste)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

extreem bn. ‘uiterst, bovenmatig’, zn. ‘het uiterste’
Vnnl. extreme (wrsch. bn.) ‘uiterste’ [1544; MNHWS], tusschen twe extremen (zn.) [1613; WNT Aanv.].
Al dan niet via Frans extrême ‘het verst verwijderd; excessief’ [1370-72; Rey] ontleend aan Latijn extrēmus ‘buitenste, uiterste, laatste’, overtreffende trap van exterus of exter ‘aan de buitenkant, buiten, vreemd’, zie → extern.
extremist zn. ‘persoon die tot het uiterste gaat’. Nnl. extremist [1923; Koenen]. Gevormd met het achtervoegsel → -ist maar misschien ook ontleend aan een andere taal (Engels 1846 [OED], Frans 1917 [Rey]). ♦ extremiteit zn. ‘uiterste’. Vnnl. extremiteyt “dat buytenste dinck” [1577; Werve], “uytterste” [1650; Hofman]; nnl. vooral als mv. extremiteiten ‘de uiterste ledematen (handen en voeten)’ [1872; Dale]. Ontleend aan Frans extrémité ‘(uit)einde, uiterste, extreme situatie’ [ca. 1265], extrémités mv. ‘handen en voeten’ [ca. 1654] < Latijn extrēmitās ‘uiterste grens, buitenkant, oppervlak’, afleiding van extrēmus.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

extreem [uiterst] {extreme 1544} < frans extrême [idem] < latijn extremus [uiterste, laatste], overtreffende trap van exter [zich buiten bevindend] (vgl. exterieur).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ekstreem b.nw.
Wat tot die uiterste gaan.
Uit Ndl. extreem (1544).
Ndl. extreem uit Fr. extrême uit Latyn extremum, 4de naamval van extremus, oortreffende trap van exter 'jou buite bevind, die uiterste, laaste, grootste, hoogste', vergrotende trap van ex 'uit'.

Thematische woordenboeken

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Extreem (< Lat. extremum = buitenst, uiterst). Lett. Uiterste. Samenvattende term voor maximum en minimum.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

extreem ‘uiterst’ -> Indonesisch ékstrém, ékstrim ‘uiterst’; Menadonees èkstrim ‘uiterst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

extreem uiterst 1544 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal