Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

esp - (ratelpopulier, loofboom uit de wilgenfamilie (Populus tremula))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

esp zn. ‘ratelpopulier, loofboom uit de wilgenfamilie (Populus tremula)’
Onl. aspa- in de plaatsnamen Aspanmora (Friesland) [ca. 890; Künzel 72] en Aspide ‘Eisden (Limburg NL)’ [870; Künzel 125], espe- in Espede ‘onbekende plaats aan de Maas’ [1168; Gysseling 1960]; mnl. espe [ca. 1450; MNW]; vnnl. Espe [1599; Kil.].
Ohd. aspa ‘esp’ (mhd. aspe, nhd. Espe); oe. æsp, æps (ne. asp); on. ösp (nzw. asp); < pgm. *aspō-.
Verdere verwanten zijn er alleen in Lets apsa, Oudpruisisch abse en misschien in verouderd Pools osa, Opper-Sorbisch wosa. Het woord kan met metathese zijn ontstaan uit pie. *apsō (IEW 55), maar gezien de spreiding en de betekenis ligt een substraatherkomst meer voor de hand.
Net als bij de boomnaam → es 1 is de oorspr. a een e geworden, naar analogie van de e in het bn. espen, die door i-umlaut ontstaan is uit Proto-Germaans *aspīna- ‘van espenhout’. Dat is in de 15e eeuw ook in het Duits gebeurd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

esp* [ratelpopulier] {ispe 1201-1250, espe 1440} middelnederduits espe, oudhoogduits aspa, oudengels æps, æsp(e), oudnoors ǫsp, met metathesis, vgl. wesp; buiten het germ. lets apse, litouws apušė, russisch osina (waarin de p is verdwenen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

esp znw. m. ‘populus tremula’, mnl. espe m., mnd. espe v., ohd. aspa v. (nhd. espe), oe. æsp, æps m., æspe v. (ne. asp), on. ǫsp v.; in fri. alleen bnw. espen. — Met metathesis uit een vorm *apsō, vgl. lett. apsa, opr. abse, en afl. in lit. apušė̃, epušė̃, russ. osīna (< *opsīna).

De grondvorm idg. apsā (IEW 55) wordt bevestigd door het uit het armeens ontleende turks-osmaanse woord apsak ‘populier’ (Pedersen, KZ 39, 1906, 462).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

esp znw., mnl. espe m. = ohd. aspa v. (nhd. espe), mnd. espe v., (ofri. espen bnw.), ags. æsp, æps m. (v.?), æspe v. (eng. asp), on. ǫsp v. “esp, populus tremula”. Buiten het Germ. vgl. russ. osína, po. osika, osica, dial. osa, osina (vroeg-oerslav. *opsâ), zuidslav. (bulg. serv. slov.) jasika “esp”, lett. apsa, apse, opr. abse, lit. apuszė “id.”. Voor germ. sp uit ps vgl. wesp. Ndl. e voor a komt vóór sp e.dgl. consonantengroepen meer voor, zonder dat er van i-umlaut sprake behoeft te zijn, vgl. wesp, fles.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

esp. Van de ags. woorden is alleen goed gestaafd æsp(e) v. ‘esp’; ags. æps, æbs = ‘abies’.
De gedachte aan i-umlaut naar het bnw. espen (vgl. andere boomnamen den Suppl., es[ch] Suppl.) ligt zozeer voor de hand, dat men daaraan zeker de e ten dele zal moeten toeschrijven: vgl. hd. espe (sedert de 15e eeuw) naar espen.
Onvruchtbare bespiegelingen omtrent verdere verwantschap van de in het art. vermelde woorden geeft Loewenthal Ark. 32, 271 (vgl. avond Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

esp m., Mnl. espe + Ohd. aspa (Mhd. aspe, Nhd. espe), Ags. æsp, æps (Eng. asp), On. ǫsp (Zw. en De. asp) + Ru. osina, Lit. apuszė, Lett. apsa; voor Hgd., Ndl. e z. es (esch).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

weps 2 (W), wups (B), zn. m.: esp, trilpopulier, Populus tremula. Hypercorrecte of volksetymologische vorm voor eps, metathetische vorm naast Ndl. esp, dat eigenlijk zelf een metathetische vorm is. Mnl. espe, Ohd. aspa, D. Espe, Oe. æsp/æps, E. asp < Germ. apsô.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

ispel, isper (DB), zn. m.: wilde abeel, soort populier. Dim. van de boomnaam, Mnl. ispe (ca. 1240) ‘esp, ratelpopulier, Populus tremula’. Ook Mnl. espe, Mnd. espe, Ohd. aspa, Mhd. aspe, D. Espe, Oe. œspe, œps, E. asp. Door metathesis (vgl. weps/wesp) uit Germ. *apsô, Idg. apsâ. Vgl. Lets. apse.

Thematische woordenboeken

E. Paque (1913), De Vlaamsche volksnamen der planten van België, Fransch-Vlaanderen, Noord-Brabant, Hollandsch-Limburg, enz., Bijvoegsel, Brussel

Espe, Espenboom, m. — W.-Vl. — Populus Tremula, L.; fr. Peuplier Tremble; vl. Ratelpopuplier; Esp. — Espe is eigenlijk de duitsche naam van dien boom.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

esp* ratelpopulier 0870 [Künzel]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

apsā ‘Espe’

Ahd. aspa, nhd. Espe, ags. æspe, anord. ǫsp f. ds., lett. apse (aus *apuse), apr. abse ds., nordlit. apušìs f., lit. apušė̃, epušė̃ f. ‘Espe, Zitterpappel’ (nach Bezzenberger BB. 23, 298 angeblich eine freie Deminutivbildung aus *apsā), russ. osína (*opsīna) ‘Espe’, poln. osa, osika, osina ‘Espe’. Daß in diesen Espennamen die Lautfolge -ps-, nicht -sp- das Ursprüngliche ist, bestätigen u. a. türk.-osm. apsak ‘Рappеl’, tschuw. ėwës ‘Espe’ als Lehnworter aus dem Urarmenischen nach Pedersen KZ. 30, 462. Specht setzt wegen gr. ἀπελλόν· αἴγειρος, ὅ ἐστι εἰ̃δος δένδρον Hes. ein Wurzelnomen ap- an.

WP. I 50, Specht Dekl. 60.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal