Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

es - (loofboom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

es 1 zn. ‘loofbomengeslacht uit de Olijffamilie (Fraxinus)’
Onl. *ask- in de plaatsnamen Aslao, Ascloha ‘Asselt (Limburg NL), letterlijk essenbos’ [860, 882; Künzel 72] en Hesc ‘Es (Noord-Brabant)’ [773-774; Künzel 134]; mnl. asch ‘es’ [1240; Bern.], essche [1285; CG II, Nat.Bl.D].
Erfwoord, waarin de oorspr. a door umlaut tot e geworden is, zoals ook bij → esp. Vermoedelijk heeft hierbij het stoffelijk bn. mnl. esscijn ‘van essenhout’ (eschen [1240; Bern.]) < pgm. *askīna- een rol gespeeld, naast misschien de homonymie met onl. asca ‘as’ (zie → as 1).
Os. ask ‘es, speer, schip’ (mnd. esche ‘es’); ohd. ask(a) ‘es’ (nhd. Esche); oe. æsc ‘es, speer, schip’ (ne. ash ‘es’); on. askr ‘es, speer, schip’ (nzw. ask ‘es’); < pgm. *aski-, *aska- ‘es’. De aanduiding komt al voor in de 1e eeuw na Chr.: de Romeinse legerplaats Asciburgium ‘Asberg’ (bij Moers in Duitsland). Van essenhout werden speren en schepen gemaakt. Vandaar de variatie in betekenis al in de oudste bronnen. Een afleiding bij het woord is pgm. *ask-mann- ‘zeeman, piraat’, zoals in oe. æscman ‘zeeman, piraat’ en on. askmaðr ‘zeeman, piraat, viking’ dat mogelijk ook voorkomt in de oude naam van Assendelft (Noord-Holland): Ascmannadelf [11e eeuw; Künzel 73].
Het woord behoort bij de wortel pie. *osk- die ook zit in Grieks oksúa ‘beuk’, Albanees ah ‘beuk’ (< *oska of *aska) en Armeens haci ‘es’ (< *ask(h)io). Het gaat om een uitbreiding met een k-suffix van een wortel pie. *h3es-. Met een ander achtervoegsel zijn afgeleid: Latijn ornus ‘(wilde) berges’ (< *osinus); Oudiers uinnius ‘es’, Welsh onnen ‘es’. Op dezelfde wortel wijzen verder Lets uosis ‘es’, Oudpruisisch woasis ‘es’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

es1* [loofboom] {es(s)che 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits ask (hoogduits Esche), oudengels æsc (engels ash), oudnoors askr; buiten het germ. latijn ornus [pluimes], grieks oxua [beuk], oudiers uinnius [es], welsh onn [es(sen)], russisch jasen' [es]; de betekenis van boomnamen wisselt in i.-e. verband opvallend gemakkelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

es 1 znw. m., (boomnaam) ‘fraxinus exelsior’, os. ohd. ask, oe. æsc m. (ne. ash), on. askr m. (ook voor daaruit gemaakte voorwerpen als ‘speer’ en ‘boot’; vgl. de naam Ascomanni voor ‘Wikingen’ en lat. Ascarii ‘speervechters’ en plaatsnaam Askiburgium, nu Asberg zie R. Much, WS 12, 1929, 349-54). — lat. ornus (< *osǝno) ‘berges, speer’, osl. jasenŭ ‘beuk’, oiers uinnius, kymr. onn ‘es’, daarnaast een i-stam in lit. uosis, lett. uôsis, opr. woasis ‘es’, verder alb. ah ‘beuk’, arm. haçi ‘es’ (de bet. ‘es’ zal wel idg. zijn, vgl. Hoops, Waldbäume 121); idg. wt. *os, osis, osk (IEW 782). — Collinder, UUÅ 1934, 67 wijst nog op mogelijke verwantschap met tsjerem. oško ‘populier’ en mordwin. uks(o) ‘es’.

De klinker van es is een umlaut (germ. *aski), misschien beïnvloed door het bnw. essen, vgl. ook den en esp (v. Haeringen, Suppl. 46-7).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

esch znw., mnl. esce m. v., gloss. bern. asch. = ohd. asc m. (nhd. esche v.), os. ask- (in samenst.; bnw. eskin), ags. æsc m. (eng. ash), on. askr m. “esch”, in sommige talen ook met de secundaire bett. “speer” en “boot”. De e van het ndl. woord kan i-umlaut van a en in sommige casus van *aski- klankwettig zijn; vgl. evenwel esp. Idg. os-ḱ(h)- buiten ’t Germ. nog in arm. haçi “esch” en gr. oxsúē, alb. ah “beuk”; met andere formantia zijn van ō̌s- gevormd: ier. huinnius (os-n-), lat. ornus (*ôsino-s), russ. jásen’ (alg. slav.), lit. úosis “esch”, gr. akher-ōis “witte populier”. Of misschien ō̌s- hoogerop - hoe dan ook - samenhangt met ops- (zie esp), is niet uit te maken. Sommigen verbinden met de geciteerde woorden nog andere boomnamen. Op grond der aangehaalde woorden mogen wij een idg. benaming van den esch aannemen (zie eik).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

es[ch] I (boom). De umlautsvocaal is mede, zo niet uitsluitend, toe te schrijven aan invloed van het bnw. ess[ch]en (vgl. andere boomnamen den Suppl. en esp Suppl.). Ook hd. esche zal e hebben naar eschen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

esch m., Mnl. essche, Os. ask + Ohd. asc (Mhd. asch, Nhd. esche), Ags. æsc (Eng. ash), On. askr (= esch, boot) (Zw. en De. ask) + Idg. *os- met gutt. of nasale formans: Arm. haci = esch, Gr. oxúē, Alb. ah = beuk, Lat. ornus (d.i. *osənos), We.. onn, Osl. jasenŭ, Lit. ůsis = esch. De Hgd. en Ndl. e wijzen op een i-stam of op adj. *askin-; de Ndl. e kan ook door gedekte s veroorzaakt zijn, gelijk in flesch uit flasch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2es s.nw.
Soort boom van die Noordelike Halfrond wat taai hout lewer.
Uit Ndl. esch (1619).
Eng. ash.
Vgl. Oudhoogduits ask, Oudengels æsc en Oudnoors askr wat verband hou met 'spies' en name soos Latyn Ascarii 'spiesvegters'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

esseboom: – esse(n)hout – , versk. bome, ens. (Ekebergia capensis, E. meyeri en Trichilia emetica, almal fam. Meliaceae); Ndl. es(ch) (Mnl. esce), Hd. esche, Eng. ash, hou wsk. verb. m. Lat. ornus, “berges”, en m. Gr. oxuê, “beuk”, maar die Eur. es hoort tuis by spp. Fraxinus, fam. Oleaceae wo. die S.A. ysterhout ressorteer; v. ook Scho PD 16.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

es
Fraxinus excelsior L.

De Middelnederlandse naam voor deze boom was onder meer essche, waarvan de verdere oorsprong onbekend is.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Es, Fraxinus excelsior
Fraxinus: Latijnse naam voor de es.
Excelsior: de boom groeit relatief hoger dan leden van hetzelfde geslacht. Het is niet zozeer dat de boom hoger wordt dan de rest van haar geslacht maar wel dat ze sneller groeit.
Es: het woord 'es' is heel erg oud en is verwant met het Griekse 'oxue' dat 'beuk' betekent.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

es* loofboom 0860 [Künzel]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ades-, ados- ‘Getreideart, Spelt’, n.

Lat. ador, -ō̆ris n. ‘eine Art Getreide, Spelt’, vielleicht zu got. atisk (*ades-ko-) ‘Saatfeld’, wohl m. wie ahd. ezzisca Pl. ‘Saat’, mhd. dial. Esch, schweiz. dial. Aesch, ‘Feldflur eines Dorfes’; toch. AB āti ‘Gräser’ (anders Pedersen Toch. 641). Über gr. ἀθήρ s. unter andh-.

WP. I 45, Feist 61 a, anders WH. I 14.

*ōs, ōs-i-s, ō̆s-en-, os-k- ‘Esche’

Lat. ornus ‘wilde Bergesche’ (*os-en-os); cymr. acorn. onn-en, bret. ounn-enn ‘Esche’, cymr. Pl. onn, ynn (urkelt. *onnā < *osnā); air. (h)uinnius, Dat. uinnsinn (*onn-ist-ō) ds.; lit. úosis f., m., lett. uôsis m., apr. woasis (*ōsi-s; dazu illyr.-pannon. VN Osi, ON Osones); slav. *jasenь (*jasenъ) m. in serb. jȁsȇn, russ. jásenь;
mit k-Erweiterung: arm. hac̣i ‘Esche’, alb. ah ‘Buche’ (*oskā); gr. ὀξύη ‘Buche, Speerschaft’ (*ὀσκ[ε]σ-?); ligur. ON ᾽Οσκέλα ‘Eschenwald’ (?); aisl. askr m. ‘Esche, Speer, Schiff’, ags. æsc (germ. *askiz), ahd. asc ‘Esche’;
vgl. tscherem. oško ‘Esche’.

WP. I 183 f., WH. II 223, Trautmann 203, Specht Idg. Dekl. 59.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal