Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

epistel - (brief, zendbrief; lezing van een apostelbrief)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

epistel zn. ‘brief, zendbrief; lezing van een apostelbrief’
Mnl. epistele ‘brief’ [1240; Bern.], ‘voorlezing uit de brieven van het Nieuwe Testament’ [1330; MNW].
Ontleend aan Latijn epistula, epistola ‘brief, zendschrijven’ < Grieks epistolḗ ‘toegezonden’ bij het werkwoord epistéllein ‘toesturen’, gevormd uit het voorzetsel epí ‘na, boven’ (zie → epidemie) en het werkwoord stéllein ‘sturen’, verwant met → stal, zie ook → apostel.
Het woord was in de eerste plaats bekend door de zendbrieven van de apostelen in het Nieuwe Testament. Het voorlezen van zo'n apostelbrief tijdens de liturgie wordt zelf ook het epistel genoemd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

epistel [brief] {epistele [brief, i.h.b. de brieven uit de bijbel] 1201-1250} < latijn epistula, epistola [brief, schriftelijke opdracht] < grieks epistolè [bericht, brief], van epistellein [zenden naar], van epi [aan, naar] + stellein [in orde maken, verzenden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

epistel znw. o., (zuidnl. m.) mnl. epistel(e), pistel(e) v. < lat. epistola < gr. epistolḗ ‘brief’. Het woord is met de bijbeltaal reeds vroeg in het Germaans gekomen, vgl. got. aipistaule.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† epistel znw. o., mnl. epistel(e), pistel(e) v., ook al onz. Geleerde ontlening uit gr.-lat. epistola, die bij voortduring onder invloed van het grondwoord heeft gestaan. Evenzo in andere germ. talen. Het Ags. heeft epistol(a), pistol m.; het Got. aípistaúle v. rechtstreeks
< gr. epistolḗ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

epistel m., reeds Go. aipistaule, uit Gr. epistolḗ = het gezondene (vergel. Fr. missive en Hgd. sendschreiben), van epistéllein = opzenden, gev. met epí, verwant met af, -en stéllein = zenden, verwant met stellen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

epistel (Latijn epistula)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

epistel brief 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal