Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

endeldarm - (einddeel van de dikke darm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

endeldarm zn. ‘einddeel van de dikke darm’
Mnl. eyndeldarme [1434-36; MNHWS]; vnnl. Endel-darm [1694; WNT ulcereus].
Samenstelling van zn.darm en een bn. endel dat wrsch. naar het voorbeeld van middel is afgeleid van mnl. ende (zie → einde), dus uit ouder pgm. *andila- ‘zich aan het einde bevindend’.
Het eerste lid komt ook voor in ohd. entilmeri ‘oceaan’, mhd. endelôst (bn.) ‘uiterst’; ofri. endelest (bn.) ‘uiterst, laatst’, maar is nu uitsluitend nog Nederlands.
In het Middelnederlands kwam endel- vooral voor in de overtreffende trap endelste ‘uiterste’. Andere samenstellingen met endel-, zoals endeldeur ‘deur aan het eind van de kerk’, endelvers ‘slotvers’ [1463; MNW] zijn verouderd. Vormen met eyndel- zijn het gevolg van een Zuid-Nederlandse klankontwikkeling, maar zijn in tegenstelling tot einde niet tot de standaardtaal doorgedrongen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

endeldarm* [laatste deel van darm] {eyndeldarme 1434-1436} van einde + darm, met een l als middelnederlands endeldoor [verste deur], endelvers [gebed voor een stervende], vgl. ook middel-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

endeldarm znw. m., mnl. endeldarm, typisch nl. woord gevormd als mnl. eyndeldoor ‘uiterste deur’, eyndelvers ‘gebeden voor het heil van de ziel voor een stervende’, endelclocke ‘doodsklok’. Van einde is dus eindel gevormd naar analogie van middel; ook buiten het nl. vgl. ohd. endilmere ‘oceaan’, mnd. endelste, ofri. endelest ‘uiterste’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

endeldarm znw., reeds mnl. (Mnl. Handwdb.). Het Mnl. kende ook eyndel-door v. “uiterste deur”, endel-, eyndelvers o. “gebeden voor de ziel van een stervende”, endelclocke v. “doodsklok”, eyndelste “uiterste”, die gedeeltelijk dialectisch nog bestaan, en waarnaast hier en daar nog andere woorden met endel- zijn opgekomen. Endel naar analogie van middel-; eveneens in andere talen: ohd. endilmere m. of o. “oceanus”, mnd. endelste, ofri. endelest “uiterste”. Van einde.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

endeldarm. Ook mnd. = ‘lien, podex’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

endeldarm m., het 1e lid is een adj. *endel = uiterste, afgel. van ende, einde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

endelderm s.nw.
Onderste gedeelte van die dermkanaal.
Uit Ndl. endeldarm (Mnl. endeldarm, eindeldarm), 'n samestelling van endel, met lg. uit eindel (met die l na analogie van middel uit einde), en darm.
Vgl. t.o.v. endel ook Mnl. endelste, Middelnederduits endelste, Oudfries endelest, aldrie in die bet. 'uiterste'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

endeldarm* laatste deel van darm 1434-1436 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal