Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

emmes - (fijn)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

emmes [barg.: fijn] {1906} < jiddisch emmes [waarheid] < hebreeuws ʼemeth [waarheid].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

emmes bnw. ‘prettig, leuk’, eigenl. een bargoens woord < joods èmès ‘waarheid; waar’.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

emmes waar; prettig, leuk, fijn; inderdaad; echt. Omstreeks 1860 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Het komt hierin voor in de vorm immes en met als betekenis ‘waarheid’. Vervolgens in 1906, in De Boeventaal van Köster Henke, als emmes voor ‘goed’ en als immes voor ‘goed, echt, prettig’. Köster Henke geeft onder meer als voorbeeldzin: ‘Een immese lik’ (‘een goede gevangenis’). Via het Jiddische emmes (‘waarheid; echt, werkelijk’) ontleend aan het Hebreeuwse emet (‘betrouwbaarheid, bestendigheid, trouw, waarheid’). Ook aangetroffen als ibbus, immes en ippes. In 1914 schreef de Winkler Prins (deel 2, p. 645): ‘Sommige bargoense woorden zijn tijdelijk of voorgoed in de algemeene taal overgegaan, bijvoorbeeld [...] “emmes”.’
— En jò, zoo’n emmes vrij leve, da’s toch maar alles. ¶ M.J. Brusse, Landlooperij (1906), p. 10
— 'Hm!’, zeg ik, ‘daar kunt u ’t leven nog wel emmes bij houden, al ziet ’t er hier wat armoedig uit!’ ¶ Jan Feith, Op het dievenpad (1907), pp. 80-81
— ‘Fan Scheile Merie,’ klinkt zijn antwoord. ‘Die ken jai niet, nietes? Nau, ikke wel. ’n Emmes waif. ¶ Petrus Kruisman, Kris uit de nachtbuurt (1924), p. 106

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

emmes [em’mes], immes, immus, ippes (zn.): waarheid; in der emmes: echt waar; emmes koudesj: de heilige waarheid; toures emmes/tores emmes/touris immus: zo waar als de Schrift; aag in emmes, oggenemmes: inderdaad, zeg dat wel!; (meestal bn., bw.) waar, echt, inderdaad; prettig, leuk, fijn, lekker. Soms lijken emmes en Ned. immers elkaar te kruisen | < Jidd. emmes: waarheid; echt, werkelijk; wel(-iswaar) < Hebr. (Sf. emet): betrouwbaarheid, bestendigheid, trouw, waarheid. ■ borech (boreg) dajen ho-emmes: loof de ware Rechter (gezegd als men de dood van een dierbaar persoon verneemt).

— “Laat ‘m toch pràte!”, neus-rimpelde moeder knorrig-wijs, “hij doet ’t emmes niet.” “En ‘k doe ’t emmes wèl!...” (HERM. HEIJERMANS, 1903)
— Hebbe jullie dan niet gehoord dat ze Elie gesnapt hebben toen ie bij het “inkijke van een partij” een steen van om en de bij 8 karaat in zijn mond stopte? Jullie schijnen het niet te gelove. Het is “touris immus” (zo waar als de wet van Mozes) waar! (A.M. REENS, 1905)
— Van Abkoudes mooiste boek was toch ‘Kruimeltje’, de roman van een straatboefje dat met zijn hond de Rotterdamse straten onveilig maakt. Het werd op school voorgelezen door een kwekeling-met-akte, die zelf helemaal opging in het verhaal. Ademloos zaten wij te luisteren, zaterdags van elf tot twaalf. Na afloop holden wij op de wijze van Kruimeltje door de straten en achtervolgden elkaar met Kruimeltje-kreten: ‘Gommeniekes! Emmes! Holadiééé!’ (HANS VAN STRATEN, 1993)
— Sjoute Klaas! Aag-in-emmes. Wie gaat nou met ’n gezond seigel hartje-winternacht op ’t dak kuieren op ’n paard? (M. DE HOND, 1926)
— As ik perreldegarst kook, doe ‘k ‘r ’n og-’n-emmes stuk vléés in... (HERM. HEIJERMANS, 1903)
— Niks heerlijkers as Jomtof... mit rust sjlofe en lekker gápe, op de ouwe kanepee!... Nou was ’t hele bestaan een draaikolk en scherp gezet op de cent... Oggenemmes! Nou was ’t hele jaar: van Tommoes tut Aw! (IS. QUERIDO, 1931)
— Maupie slobberde soep. “Fijne zoep,” schrokte hij. “Ja, fijne zoep,” nazeide Zelik: “n’emmes zoepie.” (HERM. HEIJERMANS, 1903)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

emmes (Jiddisch emmes)
immes (Jiddisch emmes)

J. Meijer (1984), Tolk van 't olle volk: Joods supplement op het Nieuw Groninger woordenboek van K. ter Laan, Scheemda

emmes Hebr. EMET = waarheid. In de volkstaal der joden een plechtige bekrachtiging. Vaak gevolgd door KOUDESJ (Hebr. KODESJ = heilig).

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

emmes waarheid, waar; in der emmes = echt waar; in het jidd. veelal als adject, gebruikt; hebr. emet, waarheid (alleen subst.), overgegaan in de ndl. volkstaal in de bet., prettig, leuk, fijn.

immes ndl. volkstaal voor emmes.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

emmes < jidd. van hebr. emmes = waarheid. In de Nederlandse volkstaal als adjectief gebruikt met de betekenis: goed, lekker, leuk, fijn, prettig.

immes, ippes zie emmes.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Emmes, prettig, echt, leuk, het hebr. èmès = goed, echt prettig, heusch, zooals ’t behoort. Gebruikt als uitroep ± = lekker; Brusse, Boefje 105: “Kon meheer ’t emmes meteen deris hoore”; ook als b.nw.: emmesse laarzen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal